„Voedselwetten Leviticus 11 leren christen te minderen”
De wetten over reine en onreine dieren vertelden Israël twee zaken: wees anders dan de omringende volken en vertrouw op God door te minderen. Die laatste les is wat ds. C.C. (Cees) Stavleu betreft nog steeds actueel.

Ds. Stavleu (67) is sinds 1987 voorganger geweest van verschillende baptistengemeenten en vrije evangelische gemeenten. Daarnaast werkte hij tot 2003 twintig jaar bij de Evangelische Bijbelscholen in Doorn en Veenendaal, waarvan vier jaar als directeur. Dinsdag promoveert hij aan de Protestantse Theologische Universiteit te Utrecht bij prof. dr. K. Spronk op de voedselwetten in Leviticus 11. Die gaan over reine en onreine zoogdieren, vogels, insecten en vissen.
In het proefschrift van ds. Stavleu komen verschillende lijnen uit zijn leven samen. Zo werkt hij al jaren mee aan de Studiebijbel Oude Testament, waarvoor hij onder meer een commentaar op Leviticus schreef. Daarnaast is ds. Stavleu sinds 2007 docent Oude Testament aan de Christelijke Hogeschool Ede. Daar raakte hij ruim tien jaar geleden betrokken bij een denktank over de betekenis van voedsel.
Na zijn studie verrichtte Stavleu in 1987 archeologische opgravingen in Tell Deir Alla, het overjordaanse Sukkoth uit de Bijbel. Ook in het proefschrift speelt archeologie een belangrijke rol. Zo betoogt ds. Stavleu op grond van gevonden meervalresten dat deze vis populair voedsel was voor de Judese elite in de tijd rond de ballingschap en dat de voedselwetten mede een reactie daarop zijn. Daarmee dateert de promovendus de vijf boeken van Mozes niet in Mozes’ eigen tijd, zoals hij dat eerder wel deed.
De rol van de priester is belangrijk in Leviticus 11, concludeert u in uw boek. Waarom?
„De wetgeving op de Sinaï beoogt een gemeenschap waarin Gods heerlijkheid centraal staat. Daar hoort een classificatie bij van wat allerheiligst, heilig, rein en onrein is. Daarin is de priester belangrijk: die moet onderscheid maken. Om de verschillende dieren in Leviticus 11 te kunnen onderscheiden, moesten priesters ook kenners van dieren zijn geweest.
Een belangrijk thema bij de voedselwetten is, net als bij de sabbat: op God leren vertrouwen door te minderen. Israël moest heilig zijn, anders dan de volken eromheen. Bij gehoorzaamheid mochten ze rekenen op Gods zegen. Ik denk dat de Israëlieten meer dan de helft van de zeedieren, zoals paling, garnalen en meerval, niet mochten eten. Dat is een daad van geloof.”
Een veelgehoorde verklaring voor de voedselwetten is dat deze goed zijn voor de gezondheid. Die mening deelt u niet?
„Die gedachte komt niet eerder voor dan in de dertiende eeuw na Christus. De Bijbeltekst noemt die niet. Het is een rationele verklaring voor daden die in geloof moesten gebeuren. Ik sprak bovendien een voedselkundige die zei dat rood rundvlees niet beter is dan rood varkensvlees.
In elk geval denk ik dat we van de voedselwetten kunnen leren dat we eerder priesterlijk dan heersend moeten optreden in de schepping. Harmonie met de schepping is een belangrijk Bijbels thema. Dat kan betekenen dat we moeten minderen. Dienen we God door de manier waarop we eten?”

U dateert de definitieve vorm van Leviticus 11 na de ballingschap. De Bijbeltekst zelf noemt het de woorden van de HEERE, via Mozes en Aäron, tot het volk Israël. Hoe ziet u die spanning?
„Dat was een flink spanningsveld, waarbij ik zelf verschoven ben. Ik geloof absoluut in de historische kern van de bevrijding door God uit Egypte, maar ik geloof ook dat de tekst geleidelijk gegroeid is.”
U gaat daarbij uit van verschillende bronnentradities die aan de basis liggen van de boeken van Mozes. Op die bronnentheorie is in het verleden ook uit wetenschappelijke hoek kritiek gekomen.
„Die kritiek ken ik heel goed. Rond deze tekst ben ik tot de conclusie gekomen dat er latere toevoegingen zijn geweest. Ook andere confessionele christenen leggen Leviticus zo uit.”
Geeft u niet te veel gewicht aan de rol van mensen in de ontstaansgeschiedenis van de tekst en te weinig aan de openbaring van God?
„Dat risico is er wel. Ik geloof dat het het Woord van God is, maar mensen hebben een rol gespeeld in de vorming. Ik heb geprobeerd historisch zo scherp mogelijk te redeneren op grond van harde feiten. Dat is wat nu speelt en leeft in de wetenschappelijke debatten die ik voer.”
Maar denkt u dat die voedselwetten er in Mozes’ tijd al waren?
„Dat is moeilijk. De wetten zijn gekoppeld aan de eredienst. Maar historisch is het niet bewijsbaar.”
Dan zegt een eenvoudige Bijbellezer: Niet bewijsbaar? Het staat gewoon in de Bijbel.
„Prima, dat is goed. Dat is belijden. Maar dat staat soms op gespannen voet met historische gegevens.”
U geeft in uw proefschrift een vertaling van de tekst van Leviticus 11. De Hebreeuwse dierennamen in het hoofdstuk zijn ingewikkeld. Deed u daarin nog ontdekkingen?
„De tweede genoemde vogel is letterlijk een ”breker”. Wetenschappers dachten aan de lammergier: die laat een bot van een schaap vanaf grote hoogte vallen, zodat het openbreekt en hij bij het merg kan. Ik ontdekte echter dat de Egyptische gier met een steentje eieren breekt. Dus die zou het ook kunnen zijn.
De eerste vogel wordt vaak als adelaar vertaald. Maar gezien het gedrag dat de Bijbel op andere plaatsen van die vogel beschrijft, denk ik eerder aan de vale gier. In het oude Oosten keek men veel minder negatief naar de gier dan wij.”
Vond u dit artikel nuttig?
Gerelateerd nieuws
- Meer over
- Theologische opleidingen
- PThU
- Schriftgezag








