Petitie tegen append Kamerlid

Twee D66'ers en een smartphone in de Tweede Kamer. beeld ANP

Een groep burgers is een petitie gestart die beoogt dat Kamerleden minder vaak op hun smartphone zitten tijdens debatten. Kamervoorzitter Arib steunt dit streven, maar ziet geen echte oplossing.

Laat Kamerleden minder vaak appen, mailen, internetten, foto’s delen en spelletjes spelen tijdens debatten, stelt mediawetenschapper Sidney Vollmer. Samen met andere burgers startte hij onder de naam Fractie van Aandacht een petitie die het smartphonegebruik van Kamerleden tijdens debatten moet terugdringen.

Ze gingen niet over één nacht ijs, maar turfden tijdens 21 vergaderingen elke tien minuten hoeveel politici in de zaal op dat moment op hun smartphone zaten. Conclusie: gemiddeld staart, tijdens een debat, 38 procent van de aanwezige Kamerleden op zijn smartphone. Met uitschieters naar soms 90 procent.

Dat kan niet, vindt Fractie van Aandacht. „Politici zitten er namens ons. Ze hebben een voorbeeldfunctie. Het is belangrijk dat zij hun aandacht erbij houden en dat hun aandacht naar het volk gaat. Eén Kamerlid vertegenwoordigt zo’n 70.000 mensen.”

Kamervoorzitter Arib erkent het probleem. Maar smartphonegebruik in vergaderzalen van het parlement verbieden, is geen optie, zei ze donderdag. „Zeker, smartphonegebruik maakt een ongeïnteresseerde indruk. Mensen denken dat volksvertegenwoordigers alleen maar lekker zitten te appen. Maar ook het contact onderhouden met medewerkers en het lezen van stukken gebeurt tegenwoordig nu eenmaal via de telefoon.”

Fractie van Aandacht wil dat het dagelijks bestuur van de Kamer de regels aanscherpt. Daarnaast oppert de organisatie om zogenoemde dumbphones te introduceren: mobiele telefoons waarmee je alleen kan bellen, sms’en en een beperkt aantal apps kunt gebruiken.

De kans dat Kamerleden zich op die manier laten dwingen en insnoeren, is echter klein. Vermoedelijk blijft het bij een regelmatig terugkerende oproep van Arib om het mobieltje terzijde te leggen. De Kamervoorzitter: „Men moet elkaar natuurlijk wel aankijken als iemand aan het spreken is.”