Oomen: Kamer had in 1848 wél vinger in de pap

In tegenstelling tot wat diverse historici beweren, had de Tweede Kamer bij de ingrijpende grondwetsherziening van 1848 wel degelijk een vinger in de pap.

Dat stelt historicus Gerrit Oomen, tot 2018 directeur onderwijs aan het Ichthus College in Veenendaal, in het proefschrift dat hij woensdag verdedigde aan de Universiteit van Amsterdam.

Als het gaat om de grondwetsherziening van 1848, is in de geschiedschrijving tot nu toe vooral de rol van de liberale staatsman Thorbecke belicht, alsook die van koning Willem II en die van de liberale politicus en bewindsman Donker Curtius. Oomen richt voor het eerst de schijnwerper op de Tweede Kamer en spitte daartoe de Handelingen van de Tweede Kamer van 1840 tot 1853 grondig door. „U hebt krankzinnig veel werk verzet”, complimenteerde opponent Ton Nijhuis (UvA) hem tijdens de promotieplechtigheid. Oomen startte zijn onderzoek in 1998, maar onderbrak dat ook enkele jaren vanwege drukke werkzaamheden in het onderwijs.

Voor zover historici schreven over de rol van de Tweede Kamer bij de grondwetsherziening, was de teneur vaak dat een „wat bangige en grijze Kamer” niet veel verder kwam dan vergeefse protesten tegen een al te liberaal ontwerp, aldus Oomen. De historicus stelt daar in zijn 455 pagina’s tellende dissertatie, getiteld “Werk in uitvoering. Het functioneren van de Tweede Kamer tijdens, voor en na de grondwetsherziening (1840-1853)” een ander beeld tegenover.

Volgens hem is de Kamer in deze jaren „een tot nu toe onderschatte, constituerende partner geweest van koning en regering” en heeft zij in 1848 „zelfbewust betekenisvolle concessies weten af te dwingen” bij minister Donker Curtius die het wetsontwerp door het parlement loodste.

Een belangrijke rol hierbij speelde –in een tijd dat politieke partijen en Kamerfracties nog niet bestonden– een groep van „prominente Kamerleden”, zoals Oomen ze noemt. „Zij spreken op cruciale momenten en kennen de procedures. Zij vormen een open groep afkomstig uit alle stromingen. Zij zorgen ervoor dat de partijloze Kamer goed functioneert en continuïteit heeft.”

De historicus, afkomstig uit Nederhemert, relativeert ook het beeld dat er in 1849 sprake zou zijn van een soort van wedergeboorte van de Tweede Kamer, die pas vanaf toen echt volwassen ging worden. Hij wijst erop dat de nieuwe Kamer op precies dezelfde wijze werd gerecruteerd als de oude en dat er in haar wijze van functioneren veel meer continuïteit dan discontinuïteit valt te bespeuren. Ook al in 1848 beschikte de Kamer „over daadkracht, visie en leiderschap die haar in staat stelden een betekenisvolle bijdrage te leveren aan de herziening van de grondwet”, aldus Oomen.

Van het proefschrift verschijnt in het najaar bij uitgeverij Brevier een handelseditie.