Om een staat met de Bijbel

SGP jubileum
mr. dr. J. T. van den Berg en ir. B. J. van der Vlies
20

De SGP bestaat volgende week negentig jaar. Het verlangen naar een staat met de Bijbel bleef, de bewoordingen veranderden. Zo was de godsdienstvrijheid altijd een kwaad, nu, in een geseculariseerde samenleving, is het langzamerhand een reddingsboei.

Over het beginselprogramma waren ze het snel eens, de mannenbroeders die op 24 april 1918 in Middelburg bijeen waren gekomen om een nieuwe partij op te richten. „De Staatkundig Gereformeerde Partij staat voor de regeering van het volk geheel op den grondslag van de in de Heilige Schrift geopenbaarde ordening Gods”, zo luidde artikel 1.

De geestelijk vader van de nieuwe partij, de 35-jarige predikant G. H. Kersten te Yerseke, wilde de gereformeerde beginselen laten doorwerken in de samenleving. „Wij wensen geheel ons volk onder de beademing van Gods Woord”, schreef hij eens in De Banier, het SGP-partijorgaan. Nog steeds is dat het grootste verlangen van de SGP.

De staatkundig gereformeerden hebben zich in die negentig jaar wel moeten aanpassen aan de veranderende omstandigheden. Niet in hun wens om te getuigen van de levende God, wel in hun bewoordingen en politieke strategie.

Zo keerden ds. Kersten en ds. Zandt zich fel tegen de grondwettelijke godsdienstvrijheid. De godsdienstvrijheid was een kwaad, het afwijzen ervan een speerpunt. ”Geen godsdienstvrijheid, wel gewetensvrijheid”, was de leus. Nu, in een grotendeels godsdienstloze samenleving, is de godsdienstvrijheid langzamerhand een reddingsboei.

Artikel 36
„Komt mannenbroeders, ontwaakt!” Ds. Kersten hekelde in De Banier, begin juli 1922, de afzijdigheid van bevindelijk gereformeerden. „We hebben ons teveel onttrokken. Teveel de wereld aan zichzelf overgelaten.” En daardoor was de samenleving ontworteld geraakt. Tijdens een dankdagpreek had hij al eens ernstig gewaarschuwd voor de gevaren van de liberale staat. „Christelijk, ja maar zonder Christus; godsdienst, doch zonder God.”

Abraham Kuyper, de vroegere leider van de Antirevolutionaire Partij (ARP), had die gevaren nog te weinig onderkend, zo vond ds. Kersten. Hij had zich in veel verwant gevoeld met Kuyper. Beiden waren predikant, beiden ijverden voor herkerstening van onze samenleving. Kuyper kwam op voor het gereformeerde volksdeel, de kleine luyden, Kersten deed dat voor de bevindelijk gereformeerden, de „stillen in den lande.”

Maar ds. Kersten was teleurgesteld geraakt in Kuypers uitleg van artikel 36 in de Nederlandse Geloofsbelijdenis. De gereformeerde synode had in 1905 de bekende 21 woorden van het artikel geschrapt: de overheid is geroepen „om te weren en uit te roeien alle afgoderij, en valsen godsdienst, om het rijk des antichrists te gronde te werpen.”

Dat betekende volgens ds. Kersten een breuk met de gereformeerde vaderen. En daarom moest er een staatkundig gereformeerde partij komen, een partij die zou vasthouden aan het onverkorte artikel 36 en zich tegen een algemene godsdienstvrijheid keerde.

Eind juli 1922 kwam Kersten in de Tweede Kamer, drie jaar later verwierf de SGP een tweede zetel met ds. Zandt. Ze gebruikten de 21 woorden als een soort sjibbolet om zich te profileren tegenover de ARP.

Antirooms
De SGP manifesteerde zich in de jaren twintig en dertig als een protestpartij. Het waren de jaren van economische crisis en de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog. In de samenleving was behoefte aan daadkracht en „sterke mannen.”

Ds. Kersten en ds. Zandt riepen in die jaren herhaaldelijk op tot een ommekeer van het volk op moreel en godsdienstig terrein. En ze keerden zich fel tegen de „verroomsching” van Nederland.

„Het land is bezaaid met Roomsche burgemeesters, die weder Roomsche ambtenaren aanstellen en de plaats onder de heerschappij van Rome stellen”, betoogde ds. Kersten tijdens een SGP-jaarvergadering in het Utrechtse concertgebouw Tivoli, een geliefde vergaderlocatie van de mannenbroeders. „Het is de vrucht van ons verlaten van des Heeren wegen.”

In november 1925 wist de SGP-voorman een amendement door de Kamer te krijgen om de Nederlandse gezantschapspost bij het Vaticaan te schrappen. Het werd de beroemde nacht van Kersten. Vier rooms-katholieke ministers vroegen hun ontslag aan, de andere bewindslieden stelden de volgende dag hun portefeuille ter beschikking. Het duurde jaren voordat er weer een volwaardig, parlementair kabinet zat.

„Die elfde november zal in de historieboeken van Nederlands politiek als een dag van groote beteekenis” komen te staan, zei ds. Kersten tijdens zijn partijrede een halfjaar na de nacht. Maar hij waakte voor „indommelen.” „Breken moeten wij, maar ook bouwen” aan een „nieuw politiek gebouw op de aloude, hechte fondamenten der Reformatie.”

Van godsdienstvrijheid voor de roomsen en van vrijheid „voor atheïst, pantheïst en deïst” kon daarom geen sprake zijn. „Er blijft slechts van tweeën één: óf wij leveren ons land over aan Rome en de ongodisten, óf wij verwerpen de godsdienstvrijheid en binden, al is het, zoals onze vaderen steeds gedaan hebben met verwerping van inquisitie en kettermoord, den strijd openlijk aan tegen allen, die het land te gronde werpen, met name tegen Rome”, aldus ds. Kersten eind jaren dertig.

Milder
Met het overlijden van ds. Kersten, in 1948, viel een charismatisch leider weg. Dertig jaar lang was hij de gezichtsbepalende en drijvende kracht van de partij geweest. Kersten, begonnen als onderwijzer, was een vlotte spreker. Als hij de Kamer binnenstapte, en iemand hield een betoog over verzekeringen, dan hield hij onmiddellijk een speech waarin hij zich keerde tegen een verzekeringsplicht.

Zijn opvolger ds. Zandt, die na de Tweede Wereldoorlog het leiderschap overnam, was wat bedeesder, volgens sommigen kende hij zelfs een zekere spreekangst.

CHU-voorman Tilanus herinnert zich in zijn memoires een voorval met de sociaaldemocraat Duys. Ds. Zandt legde soms, als hij een betoog in de Kamer moest houden, vooraf zijn papiertjes op het spreekgestoelte klaar en liep dan tot aan zijn beurt achter het groene gordijn zijn zenuwen te verlopen. Duys had eens bij wijze van grap de papiertjes door elkaar geschud. Zandt moet zijn verhaal al stotterend hebben afgestoken.

De toonzetting werd onder ds. Zandt wat milder en minder gespierd, inhoudelijk verschilde hij niet van zijn voorganger. Net als ds. Kersten wees hij de overheid herhaaldelijk op haar „dure plicht” om het zondekwaad in de samenleving te beteugelen. En net als ds. Kersten bleef hij de ARP verwijten artikel 36 te hebben ingekort. Het getuigenis was hem eigenlijk liever dan het politieke ambacht zelf. „O, land, land, land, hoort des Heeren Woord.”

Van Ruler
Nederland raakte in de jaren zestig en zeventig in een geest van verandering. Het Hollandse kapitaal was sinds de wederopbouw fors gegroeid, de bestaanszekerheid was groter dan ooit, de economie was zelfs zodanig gegroeid dat bedrijven grote tekorten aan arbeidskrachten kregen. En toch werden de sixties de jaren van provo, flowerpower, van verzet tegen het gezag. In Arnhem werd de eerste abortuskliniek geopend.

De SGP stond voor de vraag hoe zij zichzelf kon blijven in een snel veranderend klimaat. Ds. Zandt, in 1961 overleden, werd opgevolgd door de scheikundig ingenieur Van Dis sr. en later, in 1971, door ds. Abma uit de Gereformeerde Bond.

In de jaren onder ds. Abma deden zich geleidelijk een aantal verschuivingen voor. Veel minder dan zijn voorgangers voelde hij zich geroepen het oordeel aan te zeggen. Liever liet hij het Woord spreken, en zag hij dat anderen uit zichzelf doordrongen raakten van de waarheid. Het radicale, het exclusieve denken van de vroegere voormannen, namelijk het alleenrecht van de gereformeerde godsdienst, ging op in een bredere interpretatie; theocratie was niet zozeer een ideaal, veel meer was het werkelijkheid, zo leek hij theoloog prof. dr. Van Ruler na te zeggen.

Een goede illustratie is het Tweede Kamerdebat over de herziene Grondwet, in december 1976. Tijdens dat debat kwam artikel 6, over het recht om godsdienst of levensovertuiging vrij te belijden, ter sprake. GPV-Kamerlid Jongeling, principieel voor godsdienstvrijheid, pleitte er in een uitvoerig betoog voor om artikel 6 voorop te zetten als artikel 1. Abma zei: „Moeite hebben wij met de staatsrechtelijke nevenschikking van godsdienst en levensovertuiging.” In dit artikel komt „niet tot haar recht de bijzondere roeping die naar onze overtuiging de overheid heeft ten opzichte van de christelijke religie die trouw is aan Gods Woord en aan de nationale geloofsbelijdenis.”

Meer zei hij niet. De SGP stemde tegen de herziene Grondwet, dat wel.

Wet gelijke behandeling
In het parlement genoot ds. Abma gezag. Hij gold als een van de beste stilisten in de politiek, zijn betogen waren doortrokken van spitsvondige woordspelingen en een fijnzinnige humor. „Met dominee Abma discussieer je niet, je luistert alleen maar en je overdenkt zijn woorden”, moet een van zijn politieke opponenten eens hebben gezegd.

In eigen kring stuitte hij op veel weerstand. In de biografie van ds. Abma, ”Levend in het werk des Heeren”, staat een anekdote van een gesprekje tussen twee SGP’ers tijdens een receptie in Gelderland. De een zou het optreden van de predikant in een Kamerdebat hebben geprezen. „Iedereen luisterde ademloos”, vertelde de man enthousiast. Waarop het gezicht van de ander verstrakte: „Het is geen goed teken, vriend, als de wereld aan je lippen hangt.” In 1977 werd de Landelijke Stichting tot handhaving van de staatkundig gereformeerde beginselen opgericht. Ds. Abma zou de beginselpolitiek van ds. Kersten en ds. Zandt verkwanselen, hij was te tolerant ten aanzien van andersdenkenden, te weinig antipapistisch ook.

Het klimaat voor het radicale en exclusieve denken van de vroegere partijleiders was ongunstiger dan ooit. Dat bleek wel tijdens de behandeling van de Algemene wet gelijke behandeling, in februari 1993. De onconventionele PvdA-minister Dales zei dat een bepaalde uitleg van de Schrift toch echt niet meer kon, namelijk de homoseksuele praxis afwijzen. Je mocht het wel denken, maar er niet naar handelen. Dales’ uitspraken werden als een schok ervaren, de Kamerleden en fractiemedewerkers voelden de strijd tussen geestelijke machten, zouden ze later zeggen.

SGP-Kamerlid Van den Berg vroeg tijdens het Kamerdebat aan de bewindsvrouw hoe haar uitlatingen te rijmen waren met artikel 6 van de Grondwet, de godsdienstvrijheid. „Tot de godsdienstvrijheid is tot op heden steeds gerekend de vrijheid om dit ook tot uitdrukking te brengen in het maatschappelijk leven. Dat uitgangspunt lijkt nu tot het verleden te gaan behoren.”

Het illustreert het spanningsveld van de SGP: in tijden dat het gereformeerd belijden onder druk komt te staan, kan de godsdienstvrijheid moeilijk worden afgewezen, dan geldt het klassieke grondrecht eerder als een houvast.

Moskee
„De islam staat opnieuw voor de poorten van Europa”, waarschuwde theoloog Van Ruler al in 1966. Het had iets profetisch. De laatste vijftien jaar is het integratievraagstuk de nieuwe sociaal-culturele kwestie geworden. Nederland telt ongeveer een miljoen moslims. Het confronteerde de staatkundig gereformeerden met de vraag naar de betekenis van het theocratisch beginsel.

De SGP wil niet vervallen in het ene uiterste: de godsdienstvrijheid principieel omarmen, zoals CDA en ChristenUnie. Daarmee zou ze het geloof in de God van de Bijbel gelijkschakelen met de islam, en dat kan een theocratisch gezind politicus niet accepteren. Maar het andere uiterste lijkt evenmin een optie: de aloude SGP-leus ”Geen godsdienstvrijheid, wel gewetensvrijheid”.

Eind 2002 nog zei SGP-voorman Van der Vlies in een interview met de Volkskrant de bouw van moskeeën te willen tegenhouden. Inmiddels lijkt dat geluid verstomd. Kamerlid Van der Staaij beklaagt zich nog slechts over te hoge minaretten en luidruchtige gebedsoproepen. „We zoeken binnen de wetgeving naar mogelijkheden om de islamisering een halt toe te roepen”, heet het. En Van der Vlies zei vier jaar geleden in een interview „niet de behoefte te hebben” om van de bouw van een rooms-katholieke kerk nog „een punt te maken.”

We moeten beseffen dat we zelf ook een kleine minderheid zijn, betoogde de SGP-leider in 2004 tijdens de jaarvergadering van zijn partij in Utrecht. „Enige bescheidenheid is dus geboden. We kunnen gemakkelijk onze hand overspelen en dan keren onze acties als een boemerang op onszelf terug.”

De SGP, de oudste partij van het land, bevindt zich in de marge van de politiek. Gevraagd naar een beeldmerk voor de SGP, grijnsde Van der Vlies onlangs: „Een eenzame knotwilg in de polder.” Die positie zal het getuigenis van de staatkundig gereformeerden niet doen verstommen. Ds. Abma zei eens tegen de Haagse Courant: „De SGP streeft naar een samenleving waarin heel duidelijk rekening wordt gehouden met Gods Woord. Dit doel ligt vandaag de dag nog verder weg dan in 1918. Er is meer dan ooit behoefte aan een partij als de SGP. Als de SGP niet bestond, zou zij terstond moeten worden opgericht.”


Volksvertegenwoordigers

Tweede Kamer
Ds. G. H. Kersten (1922 1945)
Ds. P. Zandt (1925 1961)
Ir. C. N. van Dis (1929 1937 en 1946 1971)
J. van Bochove (1945 1946)
D. Kodde (1956 1963)
Ds. M. A. Mieras (1961 1967)
Ds. H. G. Abma (1963 1981)
Ir. H. van Rossum (1967 1986)
C. N. van Dis jr. (1971 1994)
Ir. B. J. van der Vlies (1981 heden)
Mr. dr. J. T. van den Berg (1986 2002)
Mr. C. G. van der Staaij (1998 heden)

Eerste Kamer
Ds. C. Smits (1956 1959)
Ir. H. Fokker (1959 1960)
Ir. C. N. van Dis (1971 1973)
K. Meuleman (1973 1981)
Ds. H. G. Abma (1981 1986)
H. G. Barendregt (1983 1995)
Mr. G. Holdijk (1986 1987 en 1991 heden)
G. van den Berg (1995 heden)

Europees Parlement
Ir. L. van der Waal (1984 1997)
Drs. B. Belder (1999 heden)