Kou niet uit lucht na publicatie rapport Onderwijsinspectie

Inspectierapport over burgerschap geeft alle politieke partijen argumenten in handen voor een pittig debat.   beeld RD, Anton Dommerholt

Het burgerschapsonderwijs op basisscholen en scholen voor voortgezet onderwijs scoort goed, zo concludeert de Onderwijsinspectie. Maar daarmee is de kou voor orthodoxe scholen niet uit de lucht.

Groot was de verontwaardiging in de september vorig jaar toen bleek dat in een islamitische lesmethode stond dat Allah homoseksualiteit verafschuwt, dat jongens en meisjes elkaar niet mogen aankijken en dat moslims geen kleding van ongelovigen mogen dragen.

De Tweede Kamer eiste van minister Slob een onderzoek naar de mate waarin lesmethodes op het gebied van seksuele diversiteit voldoen aan de kerndoelen en al dan niet vallen binnen de wettelijke kaders. De inspectie pakte het verzoek serieus op en betrok het ook op scholen van alle levensbeschouwelijke richtingen.

Eind vorige week stuurde Slob het inspectierapport met zijn beleidsreactie naar de Tweede Kamer. De hoofdconclusie stelde gerust: het lesmateriaal dat scholen gebruiken, is niet strijdig met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat. Onder die basiswaarden vallen zaken als verdraagzaamheid, gelijkwaardigheid en non-discriminatie.

Dat oordeel geldt dus ook voor de gewraakte islamitische lesmethode. De inspectie heeft geen taak bij de beoordeling of goedkeuring van lesmateriaal. Scholen mogen hun eigen leermiddelen kiezen op grond van godsdienstige of levensbeschouwelijke uitgangspunten. Dat valt onder de onderwijsvrijheid, zo schrijft minister Slob.

Verder is er vrijwel geen onderwijs aangetroffen dat in strijd is met die waarden. „Scholen handelen over het algemeen binnen de wettelijke grenzen, ook als zij op de genoemde thema’s opvattingen hebben waarover de meningen in de samenleving uiteenlopen”, aldus de bewindsman.

Herstelopdrachten

Voor een klein deel van de scholen is werk aan de winkel. Zes scholen krijgen een herstelopdracht. Het gaat om twee joodse, twee rooms-katholieke en twee algemeen-bijzondere scholen. Bij twee van de zes scholen is de invulling van het burgerschapsonderwijs strijdig met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat. Bij de andere vier ziet de inspectie risico’s voor het verwerven van die basiswaarden.

Daarnaast vindt de inspectie dat veertien scholen, die wel voldoen aan de wet, meer kunnen doen aan burgerschap. Deze scholen krijgen een aanbeveling om het lesaanbod over seksuele diversiteit te verbreden en meer te doen dan alleen de overdracht van de eigen morele opvattingen hierover. Onder deze groep zitten drie reformatorische scholen. In totaal bezocht de inspectie 78 scholen en kregen 208 scholen een vragenlijst toegestuurd.

Met de relatief positieve uitkomsten van het inspectierapport is de kou voor de orthodoxe scholen niet uit de lucht. De Onderwijsinspectie pleit opnieuw voor het verduidelijken van de burgerschapsopdracht in de wet. In de ogen van de inspectie is de huidige omschrijving te summier. Slob heeft daarvoor reeds een wet ingediend bij het parlement. Daarin wordt in grote lijnen omschreven wat valt onder het burgerschapsonderwijs. Onderwijskoepels hebben daarbij al kritische kanttekeningen geplaatst. Ze vinden dat de overheid daarmee te diep ingrijpt in de onderwijsvrijheid voor scholen.

Discriminatie

Veel hangt af van de concrete invulling van de kerndoelen die op grond van de nieuwe wet worden opgesteld. De linkse partijen in de Kamer hebben daarover al vergaande ideeën ontwikkeld.Ze vinden dat orthodoxe scholen een homoseksuele leefwijze en huwelijken tussen mensen van hetzelfde geslacht niet mogen afwijzen. Ze vinden dat discriminerend. Zij vinden bevestiging voor hun denkwijze in het inspectierapport. Scholen die homoseksualiteit afwijzen, maar de homo als persoon positief bejegenen, kunnen „de ruimte voor autonome persoonsvorming” onder druk zetten. En: „De afwijzing van gevoelens of gedrag van leerlingen waarvan de gevoelens afwijken van de binnen de school dominante waarden kan leiden tot spanning en legt druk op de identiteitsvorming”, zo staat letterlijk in het rapport te lezen. Dat kan ondanks de goede bedoelingen en inspanningen van de school leiden tot „weinig ideale –en voor de betreffende leerling(en) problematische– situaties.”

Zo geeft het inspectierapport voor alle politieke partijen argumenten voor een pittig debat.