Kerk en politiek zoeken en tasten naar houding tegenover coronaregels

Nederland
Van der Staaij. beeld ANP, Remko de Waal.

Hoe ‘braaf’ moeten kerken en christelijke partijen de overheid volgen in haar rigoureuze inperking van erediensten? Nu de pandemie wegebt, is kritisch meedenken steeds meer gewenst en nodig.

Het blijft vreemd, al is het al tien zondagen praktijk: lege kerken, diensten uitsluitend digitaal te volgen. Pasen? Hemelvaartsdag? Pinksteren? Zelfde laken een pak. Want: coronapandemie. En: wat de overheid vraagt, doen wij.

Toch? Jawel, maar geheel eensluidend staan christenen hier niet in. Een week geleden verbaasde de Urker predikant ds. Uitslag zich er bij de Reformatorische Omroep over „dat kerken zo gedwee de overheid volgen en de coronamaatregelen accepteren alsof het bijna goddelijke wetten zijn.”

EO-presentator Knevel betoogde dinsdag in het programma Op1 dat kerken geduldig moeten zijn en ervoor moeten waken de indruk te wekken dat ze vinden dat zij meer mogen dan anderen.

Tussen deze beide polen in gaan de christelijke partijen zoekend en tastend hun weg. Soms wel verwijzend naar artikel 6 van de Grondwet, maar op voorzichtige wijze. Dat de overheid de vrijheid van godsdienst momenteel sterk inperkt, is weliswaar niet verboden, betoogde SGP-leider Van der Staaij in de Kamer, maar moet door het kabinet wel nauwkeurig worden gemotiveerd.

Als het om de bejegening van religie gaat, leek het kabinet gaandeweg deze crisis een blinde vlek te ontwikkelen. In het begin, toen de coronamaatregelen moesten worden toegelicht, zag het de kerken duidelijk staan. Grapperhaus, minister van Eredienst, organiseerde al op de eerste zondag dat de beperkende maatregelen van kracht waren een eerste conference call. Gaandeweg kreeg het er, om met CU-leider Segers te spreken, echter veel van weg dat, toen voor allerlei branches de regels versoepeld werden, kerken „achteraan in de rij mochten aansluiten.”

Die beeldvorming werd door Rutte versterkt door de wijze waarop hij in het Kamerdebat van 7 mei alleszins redelijke vragen van Van der Staaij over maatwerk in de bezoekersaantallen bij kerkdiensten beantwoordde. Nee, dat maatwerk kon echt niet geleverd worden, betoogde de premier, zich bedienend van slordige redeneringen.

In wat voor Van der Staaij trekken aan een dood paard leek, kwam deze week toch weer beweging toen CU-leider Segers zich ermee bemoeide en per motie aan de regering vroeg „samen met gemeenten afspraken te maken met kerken (...), om op verantwoorde wijze lokaal maatwerk en perspectief te bieden voor de organisatie van kerkelijke activiteiten.”

Een hele mond vol. En een doorbraak in een discussie die leek vast te lopen. De gang van zaken rond de motie-Segers, die volgende week waarschijnlijk wordt aangenomen, laat in elk geval de volgende dingen zien: 1) Dat in een geseculariseerd land christelijke partijen geen overbodige luxe zijn omdat, als zij er geen aandacht voor vragen, kerken gemakkelijk van het radar van politici verdwijnen, 2) Dat een coalitiepartner –in dit geval vooral de CU; op het CDA moest naar verluidt enige aandrang worden uitgeoefend zich aan te sluiten– altijd net wat meer vermag dan een oppositiepartij, 3) Dat het in dit soort gevoelige kwesties voorzichtig manoeuvreren en aftasten is – de CU zocht het eerst in een convenant, maar liet dat idee later los, 4) Dat ook aan het Binnenhof het spreekwoord geldt dat de gestage drup (soms) de steen uitholt.