Lange rij Duitse vorsten verloor in 1918 zeggenschap

In München protesteerde een grote menigte op de Theresienwiese tegen de macht van koning Wilhelm II. Dat gebeurde ondermeer bij de eregalerij die koning Ludwig I van Beieren had laten bouwen.  beeld Wikimedia
2

De Duitse keizer Wilhelm II sleurde in zijn val in 1918 een lange rij koningen, (groot)hertogen en vorsten mee. Eeuwenoude Duitse geslachten hadden opeens niets meer te zeggen.

Koning Ludwig III van Beieren maakte op 7 november 1918 met zijn dochters zijn middagwandeling in de Engelse tuin bij zijn paleis aan de rand van München. Hij was er niet van op de hoogte dat het in de stad gistte en kookte. Het was een van zijn onderdanen die hem op de hoogte bracht van de revolutie, en hem beleefd maar dringend verzocht naar het paleis terug te keren. Daar aangekomen ontdekte de koning dat het grootste deel van zijn personeel was vertrokken en er geen militairen meer waren die hem en zijn familie wilden beschermen.

De koning was in gevaar en moest vluchten. In burgerkleding verkleed verlieten de vorst, zijn ernstig zieke vrouw, drie dochters en erfprins Albrecht het paleis met drie gehuurde auto’s. Het doel was om naar zijn slot Wildenwart bij de grens met Oostenrijk te vluchten, maar ook daar bleek het te gevaarlijk te zijn. Zo kwam de koning in Oostenrijk terecht.

Ludwig kon later terugkeren naar Wildenwart, maar moest in 1919 weer het land uit en leefde in Oostenrijk en Zwitserland in ballingschap. In 1920 keerde hij terug, een jaar later overleed hij. Na 700 jaar regeren zat er geen lid van de familie Wittelsbach meer op de Beierse troon.

Ludwig III was de eerste Duitse monarch die zijn troon verloor. Vele andere koninklijke, hertogelijke en vorstelijke collega’s volgden. Een prins van Schwarzburg-Rudolstadt in Thüringen wist het langst stand te houden, maar ook hij moest inbinden en plaatsmaken voor de revolutionaire krachten.

Welke eens zo machtige rijken gingen ten onder? Het grootste en machtigste koninkrijk dat viel was het koninkrijk Pruisen, dat de eeuw voor de Eerste Wereldoorlog tal van andere vorstendommen had ingelijfd. Het koninkrijk was in 1701 ontstaan. Vanaf de Duitse eenwording in 1871 vormde Pruisen het grootste machtsblok binnen het toen gevormde Duitse keizerrijk. De koning van Pruisen was tevens de keizer van heel het Duitse rijk. Het huis Hohenzollern bestuurde vanuit Berlijn het rijk tot de val van keizer Wilhelm II in 1918. Wilhelm II vond uiteindelijk rust op Huize Doorn.

Wie volgden? In het zuiden van Duitsland ging het om de koninkrijken Beieren en Württemberg en het groothertogdom Baden. In Midden-Duitsland verdween het koninkrijk Saksen en in Noord-Duitsland verloren de groothertogen van Mecklenburg-Schwerin en Mecklenburg-Strelitz alle zeggenschap. Een lange rij kleinere vorstendommen met zich meesleurend (zie pagina hiernaast).

Goed geregeld

Nog even terug naar München. Veel regerende huizen verloren niet alleen zeggenschap en rechten; in veel gevallen werden ook bezittingen in beslag genomen. Paleizen, kastelen en landgoederen ging over in handen van de nieuwe overheid. Niet altijd. In Beieren constateerde de nieuwe regering na de revolutie van 1918 dat het onmogelijk was het vermogen van de staat Beieren los te koppelen van dat van de afgetreden koning Ludwig III en zijn familie. Er werd in 1923 een compromis gevonden: grote delen van het vermogen werden ondergebracht in een stichting. Tegelijkertijd bracht de familie Wittelsbach kunstschatten en ander bezit onder in het fonds.

Het fonds beheert een vermogen van 350 miljoen euro. Daar wordt de openstelling van paleizen en parken van betaald. Een fors deel van de opbrengsten van het fonds vloeit naar de leden van de familie Wittelsbach. Het grootste deel gaat naar het hoofd van het huis Wittelsbach, de nogal altijd zeer gerespecteerde en invloedrijke Franz Hertog van Beieren.

Dit is het tweede deel in een serie over monarchieën die een eeuw geleden, aan het eind van de Eerste Wereldoorlog, verdwenen.

Wilhelmina: Alles ging ongelooflijk snel

In haar autobiografie ”Eenzaam maar niet alleen” schrijft de Nederlandse koningin Wilhelmina over deze roerige tijd. Zij gebruikt stevige taal.

„Na de vlucht van de Keizer en diens troonsafstand volgde de abdicatie van de andere Duitse Vorsten. Alles ging ongelooflijk snel in zijn werk. De revolutionaire elementen en opgezweepte menigten eisten van hun Vorsten, afstand te doen. De zwakken onder hen zwichtten onmiddellijk en verlieten overijld hun woonstede en hun land. Anderen voldeden aan die eis op meer bezadigde en waardige wijze. Natuurlijk sleepten de Vorsten in hun val alle leden van hun huis mee. Ook zij mochten zich op geen enkel terrein van het openbare leven meer bewegen. Zelfs degenen, die hun gehele leven in dienst van hun volk hadden gesteld en deswege algemeen hoogachting hadden genoten, was het bittere lot van de verworpene beschoren.”