Koning is gediend met goede raadgevers

Koning Willem I. beeld Wikimedia
6

Er was eens een koning die op vakantie ging. Maar het gemurmureer van zijn onderdanen achtervolgde hem tot in zijn villa in het mythisch mooie Kranidi. Ze verweten hem dat hij hen in de steek liet in tijden van nood en rampspoed. Hij keerde op zijn schreden terug.

De Nederlandse koning heeft geen gemakkelijke positie. Hij is als het ware openbaar bezit. Elke stap die hij zet, wordt vastgelegd en in de media tot in de finesses herhaald. Privacy is er bijna niet. „Dit ambt is niet verworven. Het is een functie waar geen mens om vragen zou”, zei koningin Beatrix in haar Troonrede (1980).

Toch berust er een verantwoordelijkheid bij de koning, al is hij onschendbaar. Wil hij gediend worden met verstandige raad? Wie corrigeert hem, en laat hij zich corrigeren? Heeft hij raadgevers om zich heen die hem voor een valkuil kunnen behoeden? „Kies uw adviseurs met zorg. Een koning is zo goed als zijn beste adviseur en zo slecht als zijn meest waardeloze adviseur. Vooral het laatste.” Dit laat schrijver Sophie Zijlstra haar hoofdpersonage koning Willem I opmerken in haar nieuwe roman ”Ik, alleen”. „Een goede koning moet vertrouwen hebben in zijn onderdanen en zich niet door geruchten bang laten maken.”

Tweede huwelijk

”Ik, alleen” van Sophie Zijlstra is het verhaal van koopman-koning Willem I (1772-1843). Na een ballingschap van achttien jaar landt hij in 1813 bij Scheveningen op de kust om ”soeverein vorst” en in 1815 koning van de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden te worden. In het voorspel schetst Zijlstra in een notendop wat er gebeurt. Degenen die de biografie over Willem I van Jeroen Koch (2013) hebben gelezen, weten dan genoeg. „Hij hecht aan hegemonie. Zonder beperking. Zonder gezichtsverlies.” Zijlstra concentreert zich op één aspect van Willems leven: zijn huwelijk met Henriëtte d’Oultremont, dat de aanleiding wordt voor zijn troonsafstand.

In de roman ontmoeten we een jammerende koning in zijn werkkamer, september 1840. Hij is sinds twee jaar weduwnaar, bijna zeventig en wil trouwen met de veel jongere Henriëtte d’Oultremont, de hofdame van zijn overleden vrouw. Zijn zoon Willem, getrouwd met tsarendochter Anna Paulowna, verzet zich daartegen. Willem (Guillot) wil de kroon en vindt dat zijn vader met zijn geliefde elders moet gaat wonen. De koning zelf over zijn zoon: „Ik heb liever niet dat hij vader zegt, dan wantrouw ik hem het meest.”

Zelfmedelijden

Willem I zwelgt in zelfmedelijden. Hij, die de traditie van het koningschap geworteld heeft in de samenleving, heeft hij het volk niet gediend? Moet het hem niet dankbaar zijn? Wat heeft hij allemaal niet voor grootse daden verricht, het land voorzien van kanalen, wegen, mijnen, textielnijverheid, machines en stoomvaart? Maar nu hij na de dood van zijn lieve Mimi wil hertrouwen, keert het volk zich tegen hem. Dat ervaart hij als bitter onrecht en stank voor dank.

Zijlstra rijgt met behulp van feit en fictie de plot in elkaar. Ze kruipt in de huid van de geknakte koning, die kampt met een schuldcomplex over de dood van zijn dochtertje Pauline op 6-jarige leeftijd, lang geleden dus.

Adviseurs

Het is een komen en gaan in het paleis, september 1840. Jawel, van raadslieden. Zoon komt langs en wijst vader op de torenhoge leningen en staatsschuld van 1200 miljoen gulden. Hij wil niet als zijn vader een absoluut vorst zijn. Vader heerst, regeert en bestuurt, maar weet zich totaal niet te beheersen. Hij is de maat der dingen kwijtgeraakt, vindt zoonlief. De Leidse hoogleraar Thorbecke wacht op de gang om na binnenkomst de koning te overtuigen van het belang van de nieuwe grondwet. De minister van Justitie, Van Maanen, praat op de koning in. Ze hebben allemaal hun eigen agenda, weet hij. De enige die niet vleit, is ”Thor”, en daarom mag Willem I hem diep in zijn hart wel. Weet de koning dat Thorbecke achter de anonieme krantenartikelen in het Handelsblad schuilt? Thorbecke: „Macht is deelbaar, Majesteit, en zeker niet vanzelfsprekend. Men moet het verdienen, als een ridder zijn sporen. Aangeboren macht kweekt luie, laffe ridders.” De troon wankelt.

Julie en Jetje

Zijlstra neemt de lezer mee in de worstelingen van de koning op de avond van vrijdag 11 september 1840. Ze schetst de ambitieuze Willem II en het driftige en geraffineerde kleinzoontje dat al vroeg te oud lijkt voor een spelend kind, toekomstig koning Willem III.

Julie von der Goltz passeert de revue, de hofdame met wie Willem I een intense liefdesrelatie onderhield en vier kinderen had. En die het hof in goede en kwade dagen veertig jaar diende, maar moet wijken voor Henriëtte d’Oultremont, omdat ’s konings liefde voor haar is bekoeld. Intussen schrijft hij Jetje Dondermond, zoals ze in de volksmond wordt genoemd, brieven. Zoon Guillot komt hem ten slotte zelf vertellen dat zijn vaders geliefde even de minnares van hem is geweest toen hij naar het front van Quatre-Bras moest.

De koning besluit tot abdicatie. „Ik wil niet herdacht worden als een verliefde koning, de schuldenkoning of de ongrondwettelijke koning”, zegt hij tegen Van Maanen.

Geen inkeer

In de donkerste uren van zijn bestaan wordt de koning geconfronteerd met zijn leven. Hij klaagt God aan. „Als God liefde is, waarom heeft Hij me dan zoveel afgenomen en waarom zet Hij me zo onder druk? Heeft Hij daar een bedoeling mee? Wat voor nut heeft het om iemand zijn vrouw, zijn kind, zijn broer, zijn zuster en zijn kleinzoon af te nemen? Wat is Zijn plan en waarom licht Hij me niet in?”

Willem I veracht de ondoorgrondelijke wegen van God, maar komt niet tot enig zelfonderzoek, inkeer, boete of berouw. „Ik deed wat ik dacht dat goed was voor mijn land.” Hier en daar valt in dit boek een vloek, niet uit de mond van de koning maar uit die van een arme sloeber.

Kritiek

Willem I informeert de kroonprins op 12 september 1840 over zijn voorgenomen abdicatie. Vier dagen later wordt de herziene Grondwet, waar hij zich niet mee kon verenigen, van kracht. In de biografie van Koch valt te lezen dat Willem I maar van twee mensen echte kritiek verdroeg: Louise, zijn zus, en Wilhelmina van Pruisen, zijn moeder, aan wie hij al zijn plannen voorlegde. Beiden overleden in 1820.

De koning trouwt ten slotte in 1841 met zijn Henriëtte; in december 1843 overlijdt hij op 71-jarige leeftijd in het Niederländisches Paleis in Berlijn.

Ik, alleen, Sophie Zijlstra; uitg. Querido; ISBN 9789021419428; 256 blz.; € 20,-