Waarom eigenlijk nog naar kantoor?

Column Gerhard Hormann
Redactie economie vergadert via Microsoft Teams. beeld RD

Als deze crisis nog iets langer duurt vinden we thuiswerken zo normaal dat we ons afvragen waarom we vroeger vrijwillig de trein pakten of aansloten in de file.

Tegelijk met het invoeren van een intelligente lockdown verdwenen ook de verkeersberichten. Noteerden we in het nabije verleden soms bijna duizend kilometer stilstaand blik, nu zijn de snelwegen opvallend leeg omdat half Nederland om half negen in pyjama achter de laptop zit. Je kunt ook zeggen dat managers, verslaggevers, onderzoekers en kantoormedewerkers rond dat tijdstip invoegen op de digitale snelweg.

Achteraf gezien heeft die ontwikkeling onbegrijpelijk lang op zich laten wachten, want het internet deed al een kwart eeuw geleden zijn intrede. Veel mensen zullen zo rond 1996 een abonnement hebben afgesloten bij een provider die toegang bood tot het wereldwijde web via de reguliere telefoonlijn. De verbinding was traag en werd soms zomaar ineens verbroken, maar bood tal van mogelijkheden.

Voor journalisten betekende het een ware revolutie. Artikelen werden al wat langer geschreven op een personal computer, maar het eindresultaat moest altijd nog in fysieke vorm (floppydisc of diskette) worden afgeleverd. Vanaf dat moment kon een artikel of column opeens met één druk op de knop richting opdrachtgever of werkgever worden gestuurd. Het zou echter nog lang duren voordat het leidde tot een andere manier van werken en een andere kijk op kantoortijden.

Dat is deels verklaarbaar, want nieuwe technieken staan vaak lijnrecht tegenover oude, ingesleten gewoonten. Zo is het in principe mogelijk om élk interview telefonisch te doen, terwijl ik in werkelijkheid vaak honderden kilometers aflegde om mensen in levenden lijve te spreken. Dat was veel persoonlijker en maakte het werk beslist interessanter, maar het was tegelijk tijdrovend en omslachtig.

Voor een boek over tweede woningen interviewde ik ooit acht zogenaamde Bekende Nederlanders. De helft daarvan sprak ik telefonisch, de andere helft ontmoette ik in het echt. Het verschil kon je nergens uit afleiden, want alle gesprekken bleken even interessant en diepgravend. Technisch gezien was het dus niet noodzakelijk om mensen op te zoeken, maar toch bleef dat de werkwijze.

Hoewel er in mijn contract niets was vastgelegd over thuiswerken, werkte ik interviews vaak thuis uit. Van de vijf kantoordagen bracht ik er soms maar twee of drie daadwerkelijk op de redactie door. Dat werkt prima in sectoren waarin het draait om productie en output, maar toch trof ik soms een leidinggevende die een aanwezigheidsplicht invoerde en streng toezag op traditionele werktijden.

Zo werkten veel Nederlanders tot voor kort nog steeds alsof telefonisch vergaderen niet bestond en het internet nog moest worden uitgevonden. Er was een ernstige crisis voor nodig om een sprong vooruit te maken in de tijd en in mentaliteit. Dat er ook nadelen kleven aan deze nieuwe manier van werken, zal waarschijnlijk niet kunnen voorkomen dat er blijvende veranderingen optreden in onze kijk op communicatie en mobiliteit. We zullen elkaar blijven opzoeken, maar we gaan ook op zoek naar andere manieren van samenwerking en overleg.

De auteur is publicist. Voor eerdere columns zie rd.nl/hormann. Reageren? hormann@refdag.nl