Voor Joodse Amsterdammers is Israël „een eigen huis”

Israël 70 jaar
Een Joodse man in Amsterdam-Buitenveldert. beeld Sjaak Verboom
10

Een plek waar je jezelf kunt zijn. Een eigen huis. Een toevluchtsoord in tijden van discriminatie. Joden in Amsterdam spreken één voor één met warmte over de staat Israël, die zeventig jaar bestaat. In menig verhaal klinkt de verschrikking van de Holocaust door.

Een kereltje met zwarte pijpekrulletjes. Een jonge meid met donkere rok tot onder de knie. Een man met baard, lange mantel en hoge zwarte hoed. In Amsterdam-Buitenveldert kijkt niemand ervan op. Het Joodse leven stempelt deze zuidelijke buurt in de hoofdstad.

Vanaf de eerste minuut is een gesprek met Carlo, 56, zwaar en beladen. De Joodse psychotherapeut –borstelige wenkbrauwen, lange beige jas, keppeltje– komt de hoek om bij de koosjere delicatessenzaak Mouwes in de Kastelenstraat. De vraag was waar hij aan denkt bij 70 jaar Israël. „Die Israëlische staat”, reageert Carlo (die niet met zijn achternaam genoemd wil worden), „is een directe uitloper van de Tweede Wereldoorlog. Wij Joden zijn daar zwaar gehavend uitgekomen. Als tweede generatie groeiden we op op de puinhopen van de oorlog.”

joodseamsterdammersvid

Bewaking

Natuurlijk is hij „blij” met het bestaan van Israël. Anders nog: het land is voor hem een toevluchtsoord. Preciezer nog: „Ik denk regelmatig: Moet ik mijn koffers pakken om naar Israël te emigreren?”

Want Carlo voelt zich steeds minder op zijn gemak in Nederland. Hier in Buitenveldert durft hij nog wel met een keppeltje over straat. In westelijk Amsterdam gaat hij dat niet doen. Hij ziet de Jodenhaat groeien. Hij verzucht zelfs: „We zijn doodsbang.” Zijn dochter emigreerde op 19-jarige leeftijd naar Israël.

Het steekt Carlo, die Portugees-Joodse roots heeft, dat Joodse scholen in Amsterdam vanwege de dreiging van aanslagen streng moeten worden beveiligd. „Ik krijg het gevoel dat ik hier in Nederland niet gewenst ben. Sinds de aanslagen op de Twin Towers op 11 september 2001 ervaar ik dat steeds meer. Inmiddels krijgen we drievoudige bewaking. Vroeger regelden we onze eigen beveiliging, later kwam daar politiebewaking bij, nu staan er zwaarbewapende marechaussees bij Joodse scholen.”

Angstige gedachte

Vanwaar het antisemitisme, vraagt Carlo zich vertwijfeld af. „Niemand uit onze gemeenschap wil anderen kwaad doen. Onderdeel van onze Joodse leer is dat we ons steentje bijdragen aan de maatschappij. Niemand hoeft te gaan slapen met de angstige gedachte: Help, gaat een Jood me te pakken nemen? Maar kennelijk kan het wel gebeuren dat een gek op een zolderkamer plannen tegen Joodse doelen beraamt. Of dat nou een linkse activist, een Arabier of een rechts-extremist is.”

Hij wordt „dood- en doodziek van de leugens over Israël in de media.” „De vorming van de staat Israël in 1948 is ingewikkeld, je kan er je vragen bij hebben. Maar Israël is geen onderdrukker. Als je in dat land rechtmatig woont, kun je er gewoon een goed leven hebben. Onze belastingcenten gaan naar Palestijnse leiders die hun achterban ophitsen om géén bestaan op te bouwen. Hamasleiders, maar ook de Palestijnse leider Abbas. Dat is een massamoordernaar. Hij heeft veel doden op zijn geweten. In de media houdt Abbas mooie verhalen, maar in het Arabisch zegt hij tegen zijn mensen het omgekeerde. Het is een wolf in schaapskleren.”

Polderen

Aan een tafel bij een raam van delicatessenzaak Mouwes werkt kruidenier Michiel Cornelissen (53) met pen de bestellijst bij. Runderrookworst, pekelvlees, peterselie, en zo meer. De Joodse uitbater vindt het „fijn” dat in 1948 de staat Israël werd gesticht. „Israël is een land dat de Joodse belangen behartigt. Het land geeft ons steun. Ik spreek niet zo snel van een land waar je naartoe kunt vlúchten. Dat redeneer je te veel van uit angstige overwegingen.”

Palestijnen hebben „natuurlijk” recht op een eigen staat, vindt Cornelissen. Tegelijk kan hij de politiek van de rechtse regering onder leiding van premier Netanyahu billijken. „Netanyahu opereert daadkrachtig, al loop ik niet blind achter hem aan. Als Palestijnen relschoppen bij de grens met de Gazastrook, moet Israël standvastig zijn. Je kunt in dat land niet zwak zijn. Polderen is er niet mogelijk.”

De internationale gemeenschap moet meer geduld hebben met Israël, vindt de Joodse kruidenier. „Israël is een jonge staat in een tumultueuze regio. Er spelen allerlei mondiale belangen. Niemand kan van Israël verwachten dat die staat in 70 jaar tijd de boel netjes op orde heeft. In West-Europa hebben we er ook vele jaren over gedaan om territoriale, politieke en religieuze geschillen op te lossen. Denk aan de conflicten in Ierland en Spanje rond afscheidingsbewegingen.”

Vrijheid

De 70-jarige Jood Ap Pais uit Amstelveen heeft net zijn inkopen bij de kruidenier gedaan. Brood en koosjere worst stopt hij in zijn plastic tasje. Op een bankje op een binnenpleintje neemt hij de tijd. Spreken over 70 jaar Israël is spreken over de vernietiging van miljoenen Joden tijdens de Tweede Wereldoorlog. Zelf verloor Pais tal van familieleden. „Bergen-Belsen, Auschwitz, noem de vernietigingskampen allemaal maar op.”

De binding met Israël is „heel sterk.” De voormalige kledingverkoper heeft er familie en tal van vrienden wonen. Jaarlijks reist hij naar het Beloofde Land. „Ik ben blij dat Israël bestaat. We kunnen er in vrijheid leven en kunnen doen wat we willen. Vóór en in de Tweede Wereldoorlog konden de Joden zich niet goed verdedigen. Nu kan dat wel.”

Zelf heeft Pais, niet herkenbaar als Jood, hoegenaamd geen last van antisemitisme. Maar in Joodse kringen hoort hij daar wel zorgwekkende verhalen over. „We moeten alert zijn. Nooit van mijn leven zal ik stemmen op partijen als GroenLinks en DENK. Die staan niet achter Israël.”

Bommen

Ontegenzeggelijk ademt de koosjere pizzera van zestiger Marco Sandroussi een Joodse sfeer. In het eettentje nodigt een zwarte poster met daarop een grote, brandende kaars mensen uit voor een herdenkingsdag voor „gevallen Israëlische soldaten en slachttoffers van terrorisme.” Aan de wand prijken portretten van rabbijnen.

Zeventig jaar Israël? „Dat land bestaat al 6000 jaar”, reageert uitbater Sandroussi lachend. „Sinds het begin van de wereld.”

Israël heeft op de 37-jarige Jef Ottens, medewerker in de pizzera, een „enorme” aantrekkingskracht. Meerdere keren per jaar vliegt de Amsterdammer naar het land van Abraham, Izak en Jacob. Ook al omdat zijn partner daar vertoeft. Ottens is zelf geen Jood, maar hij overweegt dat wel te worden. „Ik ben al zes jaar actief betrokken bij de Joodse gemeenschap”, zegt Ottens, nippend aan mok koffie.

Naar Israël reizen? Dat voelt als thuiskomen, zegt hij. „Israëliërs halen meer uit het leven. In dat land ontploffen vaak bommen, dus mensen weten dat het zo voorbij kan zijn. Hier in Nederland gaat alles volgens strakke regels. Je ontbijt om negen uur en luncht om twaalf uur. Om vijf uur is het avondeten, om acht uur koffie. Om tien uur naar bed. In Israël werken ze ook hard, maar daar begint het leven pas na tien uur. Daar houd ik van. De gezelligheid, het buitenleven.”

Stickers

Een steen ging er nog niet door de ruit van de koosjere pizzera. Wel werden de ramen al eens beplakt met pro-Palestina-stickers. „Ik ben niet bang voor Palestijnen en Arabieren”, zegt Ottens. „Dan zou je iedere dag bang moeten zijn. Marco en ik zijn nuchter. We nemen onze beveiligingsmaatregelen. Dat u hier nu in onze zaak staat, wordt ook vastgelegd.”

Overduidelijk heerst er waakzaamheid in Amsterdam-Buitenveldert. Het schoolplein van de orthodox-Joodse Cheiderschool is afgeschermd met een soort ijzeren gordijn met scherpe punten. Pal naast de school staan terreinwagens van de Marechaussee. Enkele surveillerende Marechaussees zijn zwaarbewapend. Als de verslaggever met zijn telefoon een foto maakt van de afgegrendelde school, vragen de bewakers om opheldering.

Woestijn

Met zijn pantoffels aan zijn voeten en de gerimpelde handen op schoot koestert Hans Aussen zich op een bankje voor het Joodse zorgcentrum Beth Shalom in het zonnetje. Hij viert zijn 92ste verjaardag. „Ik zeg ook wel eens dat ik 29 ben. Door die humor ben ik zo oud geworden.” Jarenlang vertelde de oude Jood aan scholieren hoe hij samen met zijn broer en ouders in Amsterdam in de oorlogsjaren onderdook.

Ooit, één keer, bezocht Aussen Israël. Hij was bij de oprichting van het Aussen Memorial Park. „Een eenvoudig oorlogsmonumt. Ter herinnering aan familieleden die omkwamen in vernietigingskampen als Auschwitz en Sobibor. De tekst op het monument spreekt boekdelen. ”Voor hen die niet weerkeerden. En zo lang wij leven, zullen zij leven.””

Tot zijn „spijt” bleef het bij één bezoek aan Israël. „Ik was er graag vaker geweest. Het is zo’n wonderlijk land. Het bruist er van de activiteiten. Israël geeft het land weer body. Legt pijpleidingen en plantages aan in de woestijn, maakt het land weer vruchtbaar.”