Vlissingen voelt zich verraden

Vlissingen. beeld VidiPhoto
2

Er staat woensdag een ijskoude wind in de Zeeuwse havenstad Vlissingen. De boulevard met het bronzen beeld van admiraal Michiel Adriaanszoon de Ruyter ligt er zo goed als verlaten bij. Dat is ook hoe Vlissingen zich op dit moment voelt. Meer nog, verraden zelfs.

De geboortestad van de zeeheld bijt na de koude douche uit Den Haag op een houtje. Niets is er overgebleven van die prachtige beloften van het Rijk om het paradepaardje Korps Mariniers in de deltaprovincie te huisvesten. Handtekeningen zijn er gezet. Bijna 40 miljoen euro is er geïnvesteerd door de lokale, provinciale en zelfs landelijk overheid. Grond is onteigend. Bedrijven zijn gesloopt, wegen verlegd. Een terrein van 70 hectare ligt gereed. „Kortom, wij zijn er helemaal klaar voor”, vat SGP-fractievoorzitter Lilian Janse de Vlissingse voorbereidingen samen.

Onlangs stak het gerucht de kop op dat in de ministerraad is besloten het korps naar Apeldoorn te verhuizen. De Zeeuwse bestuurders hebben staatssecretaris Visser gevraagd uiterlijk deze week „te bevestigen dat de verplaatsing van de marinierskazerne naar Vlissingen niet ter discussie staat.”

Onbetrouwbaar

„Hier is sprake van onbehoorlijk bestuur en een onbetrouwbare overheid”, constateert de SGP-vrouw met ingehouden woede. De argumenten van de mariniers dat ze bij een verhuizing van Doorn naar Zeeland hun sociale structuur kwijtraken, noemt Janse flauwekul. „Alsof Vlissingen aan het andere eind van de wereld ligt. Bovendien gaan ze er financieel op vooruit als ze daar hun huis verkopen en hier komen wonen. Alles is hier goedkoper. Bovendien is dit al vanaf 2012 bekend, dus de nieuwe lichtingen hebben weinig recht van spreken. Er zijn trouwens genoeg korpsleden voor wie een vertrek naar Zeeland geen probleem is.”

Verhalen als zou scheepswerf Damen extra defensieorders ter genoegdoening krijgen als de elitesoldaten wegblijven, maken Janse alleen maar bozer. „We willen geen compensatie, maar realisatie”, citeert ze uit de Vlissingse politiek.

De Scheldestad is nijdig. De 73-jarige Cees van Weele vat de gevoelens van zijn flatgenoten samen. „De mariniers hebben voor ons afgedaan. Als hun vrouwen weigeren in Zeeland te gaan wonen, is wel duidelijk wie er thuis de broek aan heeft.”

Het is woensdag niet druk in eetgelegenheid Spui78. De uitbaatster laat haar frustratie over het Haagse verraad de vrije loop. „In Zeeland geldt: beloofd is beloofd, nog los van de enorme financiële investeringen die al gedaan zijn en waar de burger ongetwijfeld weer voor zal opdraaien. De komst van 1800 militairen en ondersteunend personeel zou goed zijn geweest voor de Zeeuwse middenstand. Ik denk overigens dat het niet zozeer de manschappen zelf zijn die dwars liggen. Zij zijn het gewend om uitgezonden te worden. Ik vermoed dat vooral het kantoorpersoneel hier achter zit.”

Op een steenworp afstand van De Ruyters sculptuur tuurt de 63-jarige Bart van Kootwijk uit Middelburg naar het scheepvaartverkeer. De zaak is voor hem zo helder als glas. „Afspraak is afspraak. Bovendien, een marinier is een zeesoldaat. Wat moet die op de hei?”

Christian Adriaanse (46), wiens broer bij zowel het Korps Mariniers als de commando’s een verleden heeft, is minstens zo uitgesproken. „Als je een contract tekent als militair, weet je waar je aan begint. En als je verhuizing naar hier al weigert, want is dan de volgende stap? Wil je dan straks ook niet uitgezonden worden naar het buitenland? Toen ze naar vakantie-eiland Curaçao verplaatst werden, heb ik ze niet horen klagen.”

Achterkamertjes

De verre nazaat van Michiel de Ruyter („die heette ook Adriaanszoon”) verwacht niet dat het tij nog keert ten gunste van Zeeland. „Dit is in achterkamertjes allang geregeld.”