Binnenland

Van de draf naar de dis van de Koning

De liefde tot God bezette al vroeg het hart van Gijsbertha van Horssen (48), maar bij het ouder worden werd die verdrongen door liefde voor vrouwen. Meer dan tien jaar verkeerde ze in een milieu van lesbiennes en homo’s. Totdat God haar terugbracht. „Ik heb Hem lief omdat Hij mij eerst heeft liefgehad.”

Gijsbertha van Horssen: „Ondanks alles waarvoor ik me diep moet schamen, ben ik soms blij dat mijn leven zo is gelopen.” beeld RD, Anton Dommerholt

„Toen mijn ouders hun vierde kind kregen –opnieuw een zoon– zei de dokter: „Volgens mij komt er nóg een aan!” Dat was ik. Een beter gezin had ik niet kunnen treffen. Ik voelde me gekoesterd door mijn ouders en mijn broers. Ook geestelijk was het een warm klimaat. Mijn ouders durven zich het heil niet toe te eigenen, maar aan alles merk je dat hun hart uitgaat naar de Heere en Zijn dienst. Mijn moeder staat elke morgen om zes uur op. Dan begint ze de dag met gebed voor zichzelf, de kinderen, de kleinkinderen...

Kerkelijk behoorden we tot de kleine gereformeerde gemeente van Aalst. Veel van de preken die er werden gelezen begreep ik niet, maar ik besefte wel dat ik bekeerd moest worden. Sommige preken maakten diepe indruk. Daar lag ik dan in bed nog over na te denken. Sterker dan ooit tevoren had ik dat na een preek van ds. J. J. Tanis over de tekst: „Zie, Ik heb u in de beide handpalmen gegraveerd.” Het was of de Heere tijdens die dienst persoonlijk tot me sprak, al kon ik dat niet goed plaatsen, door mijn beeld over Gods volk. Soms trok ik na schooltijd de polder in, om de stilte op te zoeken en te bidden.

Na de lagere school ging ik naar de christelijke mavo van Aalst, waar mijn vader conciërge was. Zeker voor een meisje was een hogere opleiding niet aan de orde. Met mijn diploma ben ik het mdgo gaan doen aan de Sara Nevius in Amersfoort. Dat was een fantastische tijd. Ik liep stage in een rooms-katholiek verpleeghuis in Ammerzoden, waar ik het geweldig goed naar mijn zin had. Niet alleen door het werk, maar ook door de collega’s. Van thuis had ik meegekregen dat alleen zij die de Heere willen dienen, over de dingen nadenken. De wereld dóét maar wat. Dat bleek niet te kloppen. Ik ontmoette mensen die niet naar de kerk gingen, maar heel goed nadachten over het leven.”

Avondmaal

„Op advies van een praktijkdocent ben ik de opleiding voor verpleegkundige gaan volgen. De keus viel op het Beatrixziekenhuis in Gorinchem, dat toen nog een eigen opleiding had. Na de vooropleiding verhuisde ik naar de personeelsflat. Daar woonde ik naast Willy, een meisje van de gereformeerde gemeente in Nederland. We werden hartsvriendinnen en besloten samen een flatje te huren. In diezelfde periode deed ik belijdenis, zeer overtuigd.

Twee jaar later ging ik voor het eerst aan het avondmaal. Dat was in Aalst zeer uitzonderlijk, maar ik kón niet blijven zitten. Het was mijn verlangen om de Heere te volgen. Vooral met mijn neef Gijsbert, die op jonge leeftijd ouderling werd, kon ik daar fijn over praten. Ook met de andere kerkenraadsleden had ik een goed contact.

In 1993 behaalde ik mijn diploma, twee jaar later begon ik de opleiding voor ic-verpleegkundige. Kort daarna is mijn leven ontspoord. Als tiener ontdekte ik al dat ik meisjes leuker vond dan jongens. Toen die gevoelens sterker werden, bad ik vaak: „Heere, laat me alsjeblieft niet verliefd worden.” Ik heb een poosje verkering gehad met een jongen aan wie ik me geestelijk verbonden voelde, maar ik vond het vreselijk als hij me aanraakte. Dan maar liever alleen, dacht ik. De eersten met wie ik erover sprak, waren mijn ouders. Ze reageerden heel lief. Daarna heb ik er met twee ouderlingen over gesproken. Met een van hen ben ik na het gesprek letterlijk op de knieën gegaan.

De hoop dat mijn lesbische gevoelens geleidelijk zouden verdwijnen, ging niet in vervulling. In 1996 raakte ik heel erg verliefd op een acht jaar oudere collega. Ze had al een aantal relaties gehad, maar verliefdheid is een van de heftigste emoties, die je verstand uitschakelt. Nadat ze me voor het eerst had gekust, was ik niet meer te stoppen. Na een jaar zijn we gaan samenwonen. In mijn hart was ik boos op God; dat Hij me toch verliefd had laten worden. We geven altijd een ander de schuld van onze verkeerde daden.”

Censuur

„Mijn collega’s feliciteerden me, mijn ouders waren intens verdrietig. „Die vrouw willen we niet leren kennen, maar jij blijft altijd welkom”, zeiden ze. De bezoeken aan thuis bracht ik tot een minimum terug, omdat ik zag hoe mijn ouders onder de situatie leden. Mijn moeder ging dan koekjes bakken; die gaf ze me mee. Dat was haar manier om te zeggen: „Ik blijf van je houden.”

Ik leefde in twee werelden en voelde me nergens helemaal thuis. Lichamelijk genot kan het hart niet vervullen, maar ik was niet in staat die relatie te verbreken. De kerkenraad heb ik zelf op de hoogte gesteld; dat was een moeilijk gesprek. Al snel ging ik niet meer naar de kerk. Ik voelde me bekeken en vond het zelfs moeilijk om van mijn schoonzussen een knuffel te krijgen, vanwege de gedachte: ze vinden me vies. Veel vriendschappen heb ik afgekapt. Brieven die ik kreeg, legde ik zo snel mogelijk terzijde. Nadat ik onder censuur was geplaatst, heb ik mijn bewijs van lidmaatschap opgevraagd. In een afscheidsbrief heb ik de kerkenraad bedankt voor al het goede dat ik had ontvangen. Ik had een keus gemaakt en kon voor mijn gevoel niet terug.

Vanaf dat moment kwam ik zo min mogelijk in het dorp. Mijn vriendin voerde me mee naar een wereld die voor mij totaal nieuw was. Amsterdam, de bioscoop, vakanties in het buitenland... Dat heeft drie jaar geduurd. Toen bleek dat ze een ander had. Dat hakte er bij mij heel diep in. „Dat krijg je ervan als je bij de Heere wegloopt”, zei het stemmetje vanbinnen. Mijn geweten is nooit geheel tot zwijgen gekomen.”

Bruiloft

„In 1999 gingen we uit elkaar, het jaar daarop leerde ik de van huis uit rooms-katholieke Sylvia kennen. Ze werkte in het academisch ziekenhuis van Maastricht als pacemakertechnicus, ik kon daar in 2001 aan de slag als verpleegkundige. We kochten een huis en zijn in 2002 getrouwd. Dat wilde Sylvia heel graag. Van mijn familie waren een oudere broer en een zus van mijn moeder erbij aanwezig. Dat steunde me heel sterk. Tegelijk vond ik het diep in mijn hart prima dat de rest van de familie er niet was. Daardoor kon ik er een bruiloft naar eigen zin van maken.

Omdat we graag kinderen wilden, bespraken we die wens met een homofiele collega. Die wilde ons graag helpen. Het insemineren deden we zelf, dus het voelde als iets van ons samen. We besloten dat Sylvia als eerste een kind zou dragen en waren geweldig blij toen bleek dat ze zwanger was, maar tijdens de zwangerschap ging onze relatie eraan. Terwijl Sylvia bezig was met het kinderkamertje, tobde ik over de vraag hoe we ons kindje moesten opvoeden. Daarover sprak ik veel met een lesbische vriendin die net als ik uit de Gereformeerde Gemeenten kwam. Door de naderende komst van een kind realiseerde ik me hoeveel behoefte ik had aan een geestelijke band.

In juni 2004 is Lotte geboren. Zoals afgesproken, heb ik haar geadopteerd. Ze kreeg mijn achternaam en had vanaf dat moment officieel twee moeders. Sylvia en ik zijn nog een halfjaar bij elkaar gebleven. Niets dan respect voor de wijze waarop ze me heeft behandeld, toen ik besloot van haar te scheiden. Niet zij, maar ik veranderde.”

Stilgezet

„In m’n eentje probeerde ik er wat van te maken, tot God me stilzette. In 2010 zat ik in de trein van Roermond naar Maastricht, met in mijn hart de vraag: Bestaat God wel? Onderweg naar huis leek de hemel ineens open te scheuren. De lucht werd een palet van prachtige kleuren. Het was of God tegen me zei: „Ik ben er wel zeker en Ik mis jou.” De tranen liepen over mijn wangen.

Thuis heb ik mijn oude Bijbel opgezocht, ben gaan lezen en niet meer opgehouden. De boodschap was als nieuw. Ik vond daarin een God Die verlangde naar de inkeer van Zijn kind. Dat brak me, want ik heb alles gedaan wat Hij verboden heeft. Ik ben gaan bidden en zoeken, beleed mijn zonden en leerde echt een ander leven kennen.

Het heeft nog bijna een jaar geduurd eer ik weer naar de kerk durfde. Via internet vond ik de website van de christelijke gemeente Bunde/Meerssen. André Meulmeester preekte in die dienst over de zegenende handen van Jezus bij Zijn afscheid. Onder het luisteren kwam de preek van 25 jaar eerder terug: „Zie, Ik heb u in de beide handpalmen gegraveerd.” Voor mij was het de bevestiging: hier moet ik zijn. De prediking in Bunde is gebruikt om me te laten zien wie de Heere Jezus is. En dat God nooit loslaat wat Zijn hand begon. Ik heb Hem lief omdat Hij mij eerst heeft liefgehad.

Ondanks alles waarvoor ik me diep moet schamen, ben ik soms blij dat mijn leven zo is gelopen. Als je varkensvoer hebt gegeten, proef je des te beter het verschil met des Konings tafel. Het was toen ook niet moeilijk meer om mijn ouders om vergeving te vragen. In dat gesprek zei ik: „Nadat ik afscheid van de kerk had genomen, dacht ik dat jullie niet meer van me hielden.” Waarop mijn moeder antwoordde: „We hebben nooit zo veel van je gehouden als toen.” Daar kan ik nóg om huilen. Zó is God ook. Hij heeft een hart voor Zijn weggelopen schapen.”

Vreugde

„Lotte is een vaste dag in de week bij mij en om de vier weken het weekend. Dan gaat ze mee naar de kerk. Tussendoor soms ook, omdat ze het fijn vindt. Ze zit ook op de tienerclub. Zo nu en dan gaan we naar mijn ouders. Daar is ze vanaf het begin welkom geweest. Ze gaat er graag naartoe, ik denk omdat ze voelt dat mijn vader en moeder echt zijn. De dag sluiten ze altijd af met het lezen van een stukje uit een Bijbels dagboek en het zingen van een psalm. Ze kunnen net zomin wijs houden als ik, maar niets vind ik mooier dan samen met hen psalmen zingen. Dat heb ik al die jaren misschien wel het meest gemist.

Mijn lesbische gevoelens zijn voor mij geen item meer. Het verlangen van mijn hart gaat niet uit naar een vrouw, maar naar de Heere. Om meer van Hem te mogen kennen. Het is mijn dagelijks gebed of Hij me gelijkvormig wil maken aan de Heere Jezus. De tijd dat we hier zijn is niet meer dan een voorbereiding op de eeuwigheid. In dat licht vind ik mijn kruis heel licht. Ik wil het niet eens een kruis noemen.

Ik ben ook heel dankbaar dat ik met alle mensen weer in het reine ben. Na een paar jaar ben ik teruggegaan naar de gereformeerde gemeente van Aalst, om voor de kerkenraad mijn schuld te belijden. Na afloop hebben we samen een psalm gezongen en heeft een ouderling voor me gebeden. Tien kilo lichter reed ik naar huis. De Heere geeft me zó veel dat ik me vaak afvraag: Waar heb ik het aan verdiend? Als de bron van je leven buiten jezelf ligt, kan niets je meer kwaad doen. In het zingen van de vogels, het plezier in mijn werk en goede vriendschappen ervaar ik de genade van God over mijn leven. Die vreugde gun ik iedereen. Daarom trek ik me geregeld terug in mijn gebedskamertje, om voor mensen te bidden. Voor sommigen bid ik elke dag. Sylvia is een van hen.”