Twee op de tien SGP’ers geloven complottheorie rond coronavirus

Maandoverzicht augustus 2020

Al tien jaar wordt geprobeerd de SGP juridisch aan te pakken vanwege haar vrouwenstandpunt. Het heeft tot nu toe niets opgeleverd. Het nieuwe proces dat donderdag werd aangekondigd, kan gemakkelijk nog eens tien jaar in beslag nemen. Ook deze strijd zou wel eens onbeslist kunnen eindigen.

Eerst werd geprobeerd de strafrechter in te schakelen. Een drietal vrouwenorganisaties klaagde in 1993 de SGP en de toenmalige voorzitter, ds. W. Chr. Hovius, aan bij de Haagse officier van justitie. De partij zou vrouwen discrimineren. De officier seponeerde. Een politieke partij mocht volgens hem op grond van het recht op vereniging en de vrijheid van godsdienst de „eigen identiteit” beleven. Het gerechtshof was het met dat sepot eens. Dat spoor liep dus al snel dood.

Langduriger was de civiele zaak die de Limburgse Yvonne Franssen tegen de SGP begon. Met het geestelijk gedachtegoed van de SGP voelde ze zich niet verwant, maar wel met de sociaal-economische standpunten van de partij. Daarom meldde ze zich aan als lid. Zoals viel te voorzien, werd ze geweigerd.

Ze daagde de SGP eerst voor de Commissie Gelijke Behandeling en vervolgens voor de rechter. Ze beschuldigde de SGP van discriminatie. De rechter kwam aan die aanklacht niet toe. De Haagse rechtbank vonniste in 1995 dat mevrouw Franssen geen belanghebbende was.

De rechter vond dat de SGP van haar leden mag verlangen dat zij de godsdienstige grondslag van de partij onderschrijven. Die toets kon mevrouw Franssen niet doorstaan. Dus had ze geen belang, vond de rechter. In hoger beroep wilde ze niet, ook al bood het Clara Wichmann Instituut (CWI) aan haar financieel te ondersteunen.

Daarna speelde de klacht van mevrouw H. Grabijn bij de Commissie Gelijke Behandeling. Zij was weliswaar een van de weinige vrouwelijke leden van de SGP, maar vond dat haar de mogelijkheid werd onthouden om een vrouwelijk lid te kiezen als afgevaardigde of als volksvertegenwoordiger. Ze ving bot. De commissie achtte zich niet bevoegd over deze zaak te oordelen.

Het CWI bleef intussen zinnen op mogelijkheden om de SGP juridisch aan te pakken. Het probleem van Yvonne Franssen dat ze geen belanghebbende was, zou ondervangen kunnen worden als een vrouw met een SGP-achtergrond zich partij wilde stellen. Mevrouw Grabijn was niet beschikbaar. Daarom werd via een advertentie een andere gegadigde gezocht. Er meldde zich inderdaad een SGP-vrouw, maar die haakte in tweede instantie af.

Het CWI heeft nu een alternatief ontwikkeld. Het nieuwe proces is aangespannen door een stichting en tien andere maatschappelijke organisaties. Het instituut wil daarmee aangeven dat niet een enkel individu, maar een brede groep zich geraakt voelt door het vrouwenbeleid van de SGP.

Tegelijk is de staat gedagvaard. Die laat niet alleen toe dat een politieke partij vrouwen discrimineert, maar helpt diezelfde partij ook nog in het zadel door er subsidie aan te geven, zo vindt het CWI. Net als mevrouw Franssen zullen de eisers in de eerste plaats moeten aantonen dat ze een belang hebben.

Maar ook als de rechter dat belang zou erkennen, is het allerminst een gelopen race. Een belangrijke kwestie waarover de rechter zich bij een inhoudelijke beoordeling moet buigen, is hoe de grondrechten zich tot elkaar verhouden. Het CWI beroept zich op het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel, wat in dit geval zou betekenen dat de SGP geen onderscheid mag maken tussen mannen en vrouwen. De SGP beroept zich op haar beurt op de vrijheid van vereniging en van godsdienst. Deze rechten zijn eveneens in de Grondwet vastgelegd.

De vraag of het ene grondrecht boven het andere gaat, speelde ook in de zaak tegen de Rotterdamse imam el-Moumni. Hij zou homo’s hebben beledigd. De Hoge Raad oordeelde dat hij terecht was vrijgesproken, maar over de onderlinge verhouding van de grondrechten hield ons hoogste rechtscollege zich nog al op de vlakte. Veel houvast is er derhalve niet.

Het CWI beroept zich verder op het Vrouwenverdrag van de Verenigde Naties. Daarin is uitdrukkelijk bepaald dat politieke partijen vrouwen niet mogen achterstellen. Daarmee lijkt het CWI sterk te staan, maar het is maar helemaal de vraag of zo’n verdrag direct van invloed is. Daarover heeft de Nederlandse rechter zich nog niet eerder uitgelaten.

Een vroegere rechtbankpresident liet zich ooit ontvallen dat een rechterlijk vonnis lijkt op een dronken man: vooraf is moeilijk te voorspellen of hij naar de ene of naar de andere kant valt. Dat geldt zeker in de CWI-procedures tegen de SGP en de staat gezien de lastige juridische klippen.

Het zal ook nog wel even duren voordat er duidelijkheid is. Volgens de advocaat van de SGP, mr. S. O. Voogt, is een termijn van tien jaar niet uitzonderlijk bij zaken die tot in hoogste instantie worden uitgevochten. De kans is erg groot dat een van de twee procespartijen tegen die tijd niet meer bestaat en dat is dan niet de SGP. Minister Donner van Justitie heeft aangekondigd de jaarlijkse subsidie van 550.000 euro aan het CWI te beëindigen en dat betekent volgens het instituut het einde. Daarmee is de kou voor de SGP overigens niet uit de lucht. Het CWI heeft voor dit soort zaken een Proefprocessenfonds in het leven geroepen, dat de eigen broek kan ophouden. Het fonds loopt daardoor geen gevaar te worden meegezogen in de liquidatie van het CWI.

Sociale media

Op de Facebookpagina van het RD stelden we bij dit artikel de vraag: Zit er een complot achter het coronavirus? Het regende reacties.

De Facebook-post kan niet getoond worden, omdat Facebook cookies plaatst die volgens uw cookie-instellingen niet toegestaan zijn.
Sta doelgroepgerichte cookies toe om de post te tonen en ververs dan de pagina.