Schilderij Elisabethsvloed terug in de Grote Kerk

Twee meisjes onthulden zaterdagmiddag in de Grote Kerk in Dordrecht een replica van het beroemde altaarstuk dat de Sint Elisabethsvloed van 1421 uitbeeldt. beeld Vrienden van de Grote Kerk
8

De Sint Elisabethsvloed vergde in 1421 geen 100.000 slachtoffers, zoals de mythe luidde. Ook geen 2000, zoals later werd geschat. Het waren er ongeveer 100. Nog een verhaal dat niet klopt: dat de Biesbosch in één nacht zou zijn ontstaan. De vorming van het natuurgebied duurde tientallen jaren.

Dr. ir. P. Visser promoveerde in 1998 op de groei van bressen in dijken. Die bresgroei berekende hij later ook voor de overstroming van de Grote Waard: het achterland van Dordrecht, waar nu de Biesbosch ligt. En zo kwam hij tot een schatting van de waterstand en het aantal slachtoffers.

Zaterdagmiddag sprak Visser erover in de Grote Kerk van Dordt. Daar werd een replica onthuld van een schilderij waarop de Sint Elisabethsvloed is afgebeeld. Dit kunstwerk was vroeger op een altaar bevestigd, en daardoor werd het in 1572, tijdens de Reformatie, uit de kerk verwijderd. Het middenpaneel verdween, de buitenpanelen hangen sinds 1933 in het Amsterdamse Rijksmuseum. De Vereniging Vrienden van de Grote Kerk heeft nu een kopie laten vervaardigen.

Sint Elisabethsvloeden waren er ook 1404 en 1424: de talrijke overstromingen van de lage landen werden naar de heiligen vernoemd van wie het de naamdag was. Niet elke vloed was echter zo verwoestend als die van 19 november 1421. De dijk, verzwakt door turfwinning, bezweek. De Grote Waard, omgeven door 130 kilometer aan waterweringen, liep voor een deel onder.

Waard onder water

In de winter die volgde, steeg het water in de Merwede zo hoog dat ook bij Werkendam twee dijkdoorbraken ontstonden. Het water kwam bijna tot bij Heusden, zo blijkt uit schelpen die in de grond zijn gevonden.

De bressen waren te groot om ze te dichten. Het land kalfde af, er vormden zich kreken en zo werd de Biesbosch gevormd. De overgebleven bewoners van de Grote Waard vertrokken.

Sliedrecht lag destijds aan de zuidkant van de Merwede, vandaar –nog steeds– het verschil in dialect met de buurdorpen Papendrecht en Hardinxveld-Giessendam, zei dr. Visser.

Hoe angstaanjagend de stormramp geweest moet zijn, liet stadsorganist Cor Ardesch zaterdag horen in een improvisatie over lied 53 uit het Liedboek, ”Het water van de grote vloed”.

Aan het aantal kerktorens op de geschilderde panelen is te zien hoe groot het gebied was dat werd getroffen. De schilder beeldde de drama’s af die zich voltrokken: een boerderij wordt meegesleurd door het water, er drijft een dood lichaam, een aantal mensen ontkomt in een bootje, een naakte man heeft zijn toevlucht gezocht in een boom. Ook het bekende verhaal dat een kind overleefde doordat een kat de wieg in evenwicht hield, is in beeld gebracht.

Het schilderstuk laat volgens kunsthistorica dr. Hanneke van Asperen echter vooral zien dat Dordrecht het toevluchtsoord voor de getroffen bewoners was. Het schilderij werd dan ook gemaakt door overlevenden uit het verdronken dorp Wieldrecht.

Keerzijde

Er is een direct verband te leggen met het tafereel dat zichtbaar werd als het altaarstuk werd opengeklapt: het hemelse Jeruzalem. Elisabeth van Hongarije, de heilige naar wie de vloed werd genoemd, wijdde haar leven aan liefdadigheid nadat haar man tijdens een kruistocht was omgekomen. Zo was de keerzijde van dit kunstwerk een blijk van erkentelijkheid voor de liefdadigheid die Dordrecht na de ramp betoonde.

Beide kanten van het schilderij hangen dus met elkaar samen. Het vloedtafereel is in het Rijksmuseum te zien, maar zonder die andere kant, die het verhaal van Elisabeth laat zien. Dat kan in de Dordtse Grote Kerk nu wel: de panelen openen en weer sluiten om de taferelen met elkaar in verband te brengen.

Van Asperen heeft de schilderingen bestudeerd: de Radboud Universiteit in Nijmegen onderzoekt de invloed van rampen op de identiteit van gemeenschappen. En die invloed is groot: de dijkdoorbraken tijdens de Sint Elisabethsvloed waren zo verwoestend dat een deel van het gebied definitief onbewoonbaar werd. Dordrecht ondervond de economische gevolgen: het was opeens een stad zonder achterland.