Museum Sophiahof vertelt over Nederlands-Indië

beeld Sophiahof
9

Eindelijk een plek. Twee miljoen Nederlanders hebben ‘ergens in hun familie’ een band met Indië; 1,6 miljoen van hen behoren tot de Indische gemeenschap, zo’n 60.000 hebben Molukse wortels. Vanaf vrijdag hebben ze een museum. De koning komt het openen.

De Sophiahof aan de Sophialaan in Den Haag ademt de grandeur van oude tijden. Guillaume Louis Baud, oud-minister van Koloniën en jarenlang bestuursambtenaar in Indië, liet het witte pand in 1859 bouwen. Het Institute voor Global Justice was er gehuisvest. Daarna –eind 2017– trokken vijf organisaties erin die zich met Nederlands-Indië bezighouden. Vrijdag gaat het open voor publiek.

Koning Willem-Alexander opent het gebouw samen met vertegenwoordigers van de vijf organisaties: het Indisch Herinneringscentrum (IHC; eerder gevestigd in het Arnhemse tehuis Bronbeek), Stichting Moluks Historisch Museum, het Indisch Platform, Stichting Pelita –gericht op ouderenzorg– en Stichting Nationale Herdenking 15 Augustus 1945. Met Nationaal Museum Sophiahof krijgen ze een duidelijk gezicht naar buiten toe.

Gezamenlijk kregen ze –via de regeling Collectieve Erkenning– de overheidssubsidie die ze individueel soms moesten ontberen. Het was de oorzaak waardoor het Moluks Historisch Museum in Utrecht in 2012 na 22 jaar de deuren moest sluiten: zonder structurele subsidie hield het zijn hoofd niet boven water.

„Als kenniscentrum bleven we bestaan; daardoor konden we gemakkelijk weer aanhaken”, zegt directeur drs. Nanneke Wigard. Samen met de directeur van het Indisch Herinneringscentrum, Yvonne van Genugten, leidt ze het nieuwe museum.

De koning praat vrijdag met mensen uit verschillende generaties van de Indische en de Molukse gemeenschap. Daarnaast bekijkt hij de tentoonstelling ”Vechten voor Vrijheid, de vele gezichten van verzet”. „Daarmee openen we het seizoen”, zeggen de directieleden. „Daarna richten we de hoofdtentoonstelling in, het verhaal van Nederlands-Indië vroeger en de Indische en Molukse gemeenschappen nu.”

Aan de zijkant van het pand is een entree gebouwd. Twee agenten uit het Indisch-Moluks netwerk binnen de politie komen alvast een kijkje nemen.

Over belangstelling geen klagen. „Die neemt alleen maar toe”, zeggen de directieleden. Ze citeren de bijzonder hoogleraar die het IHC aanstelde: „Indië is hot.”

Erkenning

Van de families die de archipel verlieten, woont inmiddels de vierde of vijfde generatie in Nederland. „Trots op hun afkomst, gericht op het behoud van hun cultuur. Men ziet zich als Nederlander, maar men draagt de geschiedenis met zich mee. Sommige wisseltentoonstellingen die we krijgen aangeboden, hebben een therapeutisch karakter: erkenning van het verleden is deel van het helingsproces.”

Elke groep beleeft zijn identiteit verschillend. Van Genugten: „Toen mijn dochter de vraag kreeg waar haar voorgeslacht vandaan komt, zei ze: Indonesië. Dat zouden ouderen niet gauw zeggen. Die praten over Indië.”

Het museum doet veel aan educatie. Het wil kennis bijbrengen over het eilandenrijk van voor de souvereiniteitsoverdracht van 1949, maar ook over de ontwikkeling van de Indische en Molukse gemeenschappen in Nederland. „Die hebben hier hun weg moeten vinden, moeten integreren, hoewel de overheid daar tweeslachtig in was.”

Verzet

Het nieuwe museum telt slechts een handjevol werknemers en wordt verder door 45 vrijwilligers draaiend gehouden. De zalen in het pand zijn te huur. „Voor allerlei groepen, al hopen we wel dat ze intussen kennisnemen van wat we hier over Indië vertellen.”

Van Genugten en Wigard leiden rond door de hoge zalen waar de panelen over het verzetswerk zijn neergezet – als verlate activiteit van het Jaar van verzet. Het verzet in Nederlands-Indië kreeg in Nederland na de Tweede Wereldoorlog weinig aandacht. Het had ook meerdere kanten. „Er waren jongeren uit Indië die in Nederland studeerden en deelnamen aan het verzet tegen de Duitsers. Vervolgens vertrokken ze naar Indië om deel te nemen aan het verzet tegen de Nederlanders. In Indië zelf zagen sommigen de Japanners als bezetters, anderen beschouwden hen als bevrijders. De één was voor onafhankelijkheid van Indonesië, de ander –Molukkers bijvoorbeeld– was bevreesd voor overheersing door Java.”

Minder snel verdacht

Met filmpjes en posters presenteerden de Japanners zich als bevrijders van de koloniale overheersing: Azië voor de Aziaten. Intussen leed de bevolking in Nederlands-Indië wel onder de aanwezigheid van de ‘bevrijders’. Van degenen die zich verzetten, moest een aantal het met de dood bekopen. Anderen ontsnapten: zoals Nederland Engelandvaarders had, gingen in Indië Austaliëvaarders het zeegat uit.

In Nederland konden mensen van Indische of Molukse komaf mensen soms vrij gemakkelijk tot verzet overgaan: vanwege hun huidskleur werden ze door de Duitsers minder snel verdacht.