Mirjam Weitzner-Smuk: Tienermeisje in vijf kampen

Mirjam Weitzner-Smuk. Foto Niek Stam Niek Stam

Vijf kampen overleefde Mirjam Weitzner-Smuk als tienermeisje tijdens de oorlog, samen met leeftijdsgenootje Annie Walg. Dertien, veertien jaar oud. „Ik had een gruwelijke angst om alleen te zijn. Zonder Annie kon ik niet.” De vriendschap die Mirjam en Annie door de kampen hielp, duurt tot op de dag van vandaag.

Mirjam Weitzner-Smuk (79) is geen krachtpatser: in de oorlog niet en nog steeds niet. Klein van stuk, met een bescheiden voorkomen. Bij het vertellen van haar levensverhaal kiest ze trefzeker haar woorden. Ze hapert niet, op een enkele keer na. Dan is het stil. Want, zegt ze: „Er zijn dingen die niet gezegd hoeven te worden.”

Mirjams leven begint in 1930 in het Duitse Essen, waar ze met haar ouders woont. Haar vader is een Joodse oud-strijder uit de Eerste Wereldoorlog. Ze is „een verwend nakomertje.” Haar oudere zus woont nog thuis. Twee broers zijn vertrokken naar Palestina, het beloofde land.

Totdat de Kristallnacht komt, in 1938, heeft Mirjam nooit iets gemerkt van haar anders-zijn, zegt ze. Maar dan verandert alles. „Vriendinnetjes met wie ik vroeger speelde, beginnen me uit te schelden. Ik begrijp niet waarom. Op de avond van de Kristallnacht slapen we bij iemand anders. De dag erna blijkt ons huis vernield, de piano van mijn zus is in stukken gehakt.”

In Duitsland wordt het te gevaarlijk, besluiten haar ouders. Ze zetten Mirjam op de trein naar Nederland, waar haar zus Sabine al eerder heenging. „In januari, nu 72 jaar geleden, kwam ik in Nijmegen aan.”

Na bij verschillende gastgezinnen te zijn ondergebracht, kan Mirjam uiteindelijk bij haar zus in huis komen. Die is inmiddels getrouwd en woont in Amsterdam-Oost. Het is dan oorlog.

In Amsterdam komt Mirjam, lopend naar school, voor het eerst haar latere vriendinnetje Annie tegen. Ze zwaaien alleen en groeten: „Dag.” Niet wetend dat ze elkaar het leven zullen redden, niet zo lang erna.

Bij een razzia in 1943 wordt Mirjam met haar zus en zwager opgepakt en op de trein gezet, naar Westerbork. Op geen enkele manier kan ze vermoeden hoe haar volgende levensjaren eruit zullen zien. Dat dit kamp het eerste is van een lange serie. En dat ze die allemaal overleeft. Dankzij Annie.

Kamp 1: Westerbork

„Mijn eerste kamp, vol barakken en modder. In Amsterdam had ik een oude meneer geholpen met zijn koffer –zo was ik opgevoed–, maar daardoor was ik in het gedrang mijn zus en haar man kwijtgeraakt. Pas dagen later in het kamp vind ik Sabine terug.

In Westerbork heb ik voor het eerst contact met Annie. We kenden elkaar tot dan toe alleen van gezicht.

Dat we ons in het voorportaal van de concentratiekampen bevinden, weet niemand. Ik herinner me nog dat een kennis van ons op transport werd gezet, terwijl ze ziek was. „Ach”, zei iemand. „Ze zullen daar in Duitsland toch ook wel ziekenhuizen hebben?”

Mijn zwager heeft werk in het kamp. Hij komt er via het Rode Kruis achter waar mijn ouders zitten: concentratiekamp Theresienstadt. Als er weer een transport vertrekt daar naartoe, word ik opgeroepen. Mijn zus zegt dat ik moet gaan, dat mijn ouders bij aankomst op me wachten. Mijn zwager, die op het perron mag komen, brengt me naar de trein. Ik houd veel van hem. „Kom je na de oorlog weer bij ons wonen?” vraagt hij. Ik zeg ja. De trein vertrekt. Ik ben twaalf jaar, en alleen.”

Kamp 2: Bergen-Belsen

„De treinrit in de veekar is vreselijk. Opgepropt en benauwd staan we, uur na uur. Ik houd me op de been met de gedachte dat ik naar mijn ouders ga. Maar de aankomst is erger dan de reis. Ik ben niet in Theresienstadt bij mijn familie, maar in Bergen-Belsen, een verschrikkelijk kamp met overal prikkeldraad.

Ik moet werken tussen hoge bergen schoenen, daarvan moet ik bovenstuk en zolen lostornen. We krijgen weinig eten en de luizen zijn overal. Vijf maanden duurt het, tot februari 1944. Dan moet ik ineens op de trein, weer de veewagens in. Ik weet niet waarheen. Het is donker en eng.”

Kamp 3: Theresienstadt

„De deuren gaan open. Verblind door het licht dringen we achter elkaar naar buiten. Plotseling hoor ik heel hard mijn naam roepen. „Ja, ja!” roep ik terug. Het is mijn vader. Ik blijk in Theresienstadt te zijn. Al die maanden heeft hij gewacht bij iedere trein die kwam, met een thermosfles. Hij wist via mijn zus dat ik moest komen.

Ik vraag me nog wel eens af: Hoe is het mogelijk dat hij me zo snel herkende na zes jaar afwezigheid? Ik herken hem niet, dat vind ik heel erg. Mijn moeder herken ik ook niet. Zij mij wel. Ik was een kampkind: mager, onder de luizen en met beschimmelde kleren. Uit een deken naait moeder een jasje voor me.

In het kamp praten we weer Duits. Het gaat me slecht af, na al die jaren.

Theresienstadt had de naam een minder moeilijk kamp te zijn. Maar wat is minder moeilijk? Ook daar gingen mensen dood van de honger. Toch waren we als gezin nog samen. Mijn vader werd bevoorrecht omdat hij oud-strijder was, een ”Frontkämpfer” uit de Eerste Wereldoorlog.”

In het kamp kom ik Annie weer tegen, met haar ouders. We werken buiten het kamp, in het veld. Daar vinden we brand­netels en koken er soep van. Het smaakt een beetje als spinazie.

Eén keer komt het Rode Kruis langs. Die dag wordt een groot toneelstuk opgevoerd: We krijgen goed te eten, zodat het lachen beter gaat. Meisjes krijgen een wit bloesje aan, het kamp is geverfd. Arm in arm worden we gefilmd, Annie en ik. We moeten lachen en praten met elkaar. Pure propaganda.

Daarna is het voorbij: mijn vader moet op transport, dat is vreselijk. Ik heb hem nooit meer gezien. Na twee weken krijgen wij de oproep, en gaan ook. Het wordt Auschwitz.”

Mirjam stopt even met praten en zucht. Ze neemt een slok water.

Kamp 4: Auschwitz

„Auschwitz is anders dan alles wat ik tot dan toe heb gezien. Mensen lopen rond in gevangeniskleding. Er hangen luidsprekers waarmee we de trein uit worden geschreeuwd: „Aussteigen, schnell!”

Aan een jongen in kampkleding vragen we wat we moeten doen. Hij mag absoluut niet praten, maar fluistert snel: „Zeg dat je zestien bent en gezond.” We zijn op dat moment veertien jaar oud.

We moeten ons opstellen in lange rijen. De stilte is opvallend. SS’ers met honden bewaken de rijen. „Ruhe!”

Als het onze beurt is zeggen we dat we zestien zijn en gezond. We moeten naar rechts. Achter ons worden onze moeders naar links gestuurd. „Blijven jullie samen”, zegt mijn moeder. Dat doen we. „Vanavond zoeken we hen wel op, in dat andere kamp”, zeggen Annie en ik tegen elkaar. We beseffen niet dat onze moeders die avond al niet meer leven.

Dan moeten we ons helemaal uitkleden. Er lopen ook mannen rond, ik schaam me verschrikkelijk. Iedereen moet kettinkjes en haarspelden afgeven en wordt dan kaalgeschoren. Ze poetsen ons hoofd met een vieze lap lysol.

Dan krijg ik één kledingstuk, een jurk. En een paar klompen. Ze zijn te groot; naar je maat wordt niet gevraagd.

We lopen naar onze barak, langs een orkestje. Een kind in de rij ziet haar vader spelen. „Pappa, pappa!” roept ze. „Bek dicht houden”, roept iemand en we lopen door.

Met tien personen moeten we in een tweepersoonsbed, drie hoog. Liggen gaat niet, we zitten tegen elkaar aan op de losse planken. Per bed krijgen we een bak waterige soep en één lepel. Daar moet je met zijn tienen van leven. We zijn verdoofd.

Wat me bijblijft is wat mensen elkaar aandoen. Een Tsjechische vrouw uit onze groep, van wie de baby vlak na aankomst was afgepakt, vraagt op de eerste avond aan de barakoudste waar haar kind nu is. De opzichtster moet lachen en wijst naar boven: „In de schoorsteen”, zegt ze wreed. Die was al gek geworden door het kamp, denk ik.

Diezelfde avond rent de moeder de barak uit en gooit zich in het prikkeldraad, dat zwaar onder stroom staat. 's Morgens vinden we haar: ze is dood.

In het kamp liggen we op bed of staan op appél. Annie houdt me op de been. Op een dag worden 200 vrouwen uitgekozen voor werk. Annie zit erbij. Paniek overspoelt me: zonder Annie kan ik niet. Ik heb een gruwelijke angst om er weer alleen voor te staan. Ik roep een vrouw of ze wil ruilen. „Ja, ja”, zegt ze en we wisselen snel. Ik sta nu in de groep, met Annie. We zijn weer samen.

De groep krijgt andere kleren: een soort jasje en echte schoenen. We krijgen zelfs een onderbroekje. Dan rijden we ’s nachts met vrachtwagens naar een grote fabriek van vier verdiepingen.”

Kamp 5: Märzdorf

„Dit blijkt een werkkamp in het reuzen­gebergte: Märzdorf. Het is winter en vreselijk koud. Iedereen krijgt een bed. Zonder dekens of kussen, maar met een matras: ik ben vergeten hoe dat voelt.

We moeten lange dagen werken: ik in een vlasfabriek en Annie in de weverij. Soms vinden we wat lijnzaad. Stiekem wrijven we het kapot en likken de olie op, bang om betrapt te worden.

Annie durft meer dan ik, dat scheelt. Ik ben geen held, integendeel: van ons tweeën ben ik de timide en schuchtere figuur.

Op één ding ben ik trots: dat ik Annies leven redde. Dat gebeurt op de dag dat ze doodziek is door diarree. Ze wil dat ik aan de tirannieke opzichter vraag of ze één dag op bed mag blijven. Die vraag alleen al kan je je leven kosten. Ik raap mijn laatste beetje moed bijeen en vraag het: stram in de houding, in mijn beste Duits. De opzichter kijkt vreemd op, maar het mag. Die ene dag redt Annies leven; ze kon echt niet meer. Dat is mijn heldendaad voor haar.”

Naar huis

„Het duurt acht maanden, tot het voorjaar van 1945. Het kamp is plotseling verlaten en we blijken bevrijd.

Russische soldaten nemen ons later mee naar de omliggende dorpen, de huizen in. Er ligt van alles: eten, gymschoenen, een bloes. Ik neem alleen een pak suiker mee, maar voel me een dief. De soldaten vertrekken en wij gaan maar weer terug naar het kamp. Wat moeten we anders?

De terugtocht begint. Hoe komen we thuis? Twee 14-jarige meisjes tussen de Duitse bevolking en de Russische soldaten. Een groepje Nederlandse vrouwen wil ons niet meenemen, uit angst voor de Russen. „Die verkrachten alle vrouwen”, zeggen ze. Wij weten niet wat dat betekent: verkrachten. Is het soms vermoorden? Dat probeerden de Duitsers ook al, dus wat is het verschil?”

We kloppen bij mensen aan en vragen de weg naar Dresden. Op een nacht mogen we van wat vrouwen in hun huis slapen. Ze zijn doodsbang: ’s Nachts komen de Russen, zeggen ze. „Gaan jullie maar naar zolder.” Midden in de nacht horen we herrie in het huis en schieten. De soldaten komen niet naar boven. Als het licht wordt, treffen we de vrouwen be­neden aan: dood.

We houden het lopen niet meer vol, zwak als we zijn. Annie is kordaat en vraagt een lift aan een Russisch konvooi. We moeten allebei in een aparte auto: levens­gevaarlijk natuurlijk. Maar er gebeurt niets. Een soldaat geeft mij een ei en een klontje boter. Trots laat hij zijn arm zien: er zitten acht horloges omheen.

In Dresden mogen we naar het Amerikaanse kamp. Daar krijg ik voor het eerst Coca-Cola: ik vind het vies, net medicijn.

De Amerikanen zetten ons op een vliegtuig naar Brussel en dan gaan we met de trein naar Amsterdam. Daar begint het grote zoeken. Bij toeval kom ik een nicht van mijn moeder tegen die me in huis neemt: Een eenkamerwoning voor een gezin van zeven. Annie kan bij haar oude buren terecht: aardige mensen. Ik kom soms bij haar langs.

Als we de lange lijsten met slachtoffers zien, dringt de waarheid langzaam door. Van onze families heeft bijna niemand het overleefd: mijn zus en zwager niet en mijn tante niet, ook onze schoolvriendinnetjes niet.

Een oom van Annie uit Venezuela weet haar op te sporen en haalt haar naar Zuid-Amerika. Ik zie haar jaren niet meer. Mijn broers in Palestina willen dat ik naar hen toe kom. Via een tante in Brussel lukt het om me bij hen te voegen. Later ontmoet ik mijn huidige man en ga weer in Nederland wonen.

De jaren gaan voorbij. Over de oorlog wissel ik geen woord, met niemand. Ook niet met Annie, die ik in 1965 pas weer ontmoet. Ik stop het weg.

Het zwijgen duurt tot 1995, wanneer ik word gevraagd om mijn verhaal te doen voor de Shoah Foundation van filmregisseur Steven Spielberg. Het is de eerste keer dat ik over mijn kampervaringen praat.

Ik doe het nu vaker. Maar niet tot in detail. De echt moeilijke dingen heb ik niet verteld – ook nu niet.

Met Annie en mij gaat het goed. Zij woont in Amerika en ik in Haarlem, maar we hebben veel contact. Als ik bij haar ben, voelt het als mijn eigen huis. Onze vriendschap is onveranderd.

Annie en ik zeggen soms: Hoe is het mogelijk dat we dit samen hebben overleefd: kinderen van dertien jaar in het kamp. Zijn we daar gegroeid bijvoorbeeld? Ik weet het niet meer. Hoe deden we het toch, zonder tandenborstel, zonder kam of zeep, grotendeels zonder onderbroek zelfs. Die vreselijke, stinkende wandluizen die op je vielen. En altijd honger. Soms geloof je het haast niet.

Eén ding weet ik: de vriendschap heeft me erdoor geholpen. Annie zorgde voor me, zij was de baas. Behalve die ene keer.”


Levensloop Mirjam Weitzner-Smuk

Mirjam Smuk wordt in september 1930 geboren in Essen, als dochter van een Duits-Joodse oud-strijder.

Na de Kristallnacht in november 1938 gaat ze alleen naar Nederland, waar ze uiteindelijk bij haar zus gaat wonen. In 1943 worden ze beiden opgepakt bij een razzia en naar Westerbork gebracht.

Een lange zwerftocht langs vijf concentratiekampen volgt. Ze overleeft dankzij de vriendschap met Annie Walg, die met haar lef Mirjam erdoorheen helpt. Na de oorlog blijken haar zus, zwager en ouders vermoord.

De vriendschap met Annie blijft levenslang. Annie woont in de VS en Mirjam in Haarlem. Ze zien elkaar regelmatig.


Totstandgekomen naar aanleiding van het onderzoek van dr. Ria van den Brandt van de Radboud Universiteit Nijmegen.