Kaakstand maakt verschil tussen Hagenaar en Hagenees

Moerstaal
27

Den Haag is een stad van tegenstellingen. Tussen chic en volks, Hagenaar en Hagenees. „Aan de spraak is te horen of je van het zand bent of van het veen.”

Hagtop leize!” (Hardop lezen!). Auteur en Den Haagkenner Marcel Verreck is dol op zijn taaltje en dat laat hij horen. Ook al is hij in Deventer voor de presentatie van zijn recente boek „Aan lager wal” – met daarin een plat Haags pratende politie-inspecteur. In een café-restaurant bij de Lebuïnuskerk draagt hij voor de video bij dit artikel luid een gedicht voor waarin hij de diagnose stelt van zijn stadsgenoten en zichzelf: „Ongeneeslijk Haags.”

Van vreemde Deventer blikken heeft hij geen last. „Hagtop leize!” citeert hij nogmaals de stripheld uit zijn geboortestad: Haagse Harry.

Verreck kent bijna alle hoeken en gaten van de residentie. Voor zijn in Den Haag bekende boekjes ”Straatwijs”, en ”Nog meer Straatwijs”, liep hij, met zoontje Daniël in de kinderwagen, tientallen kilometers. Om voor de krant Den Haag Centraal onbekende straten te beschrijven die zelfs hij als geboren Hagenaar niet kende.

Kwestie van hernieuwde liefde, zegt hij. „Op mijn achttiende vertrok ik naar Amsterdam en bleef er dertig jaar. Maar vroeg of laat wil je terug. Toen ik een zoontje kreeg, was dat een goed excuus voor een nieuwe kennismaking.”

En dat beviel: „In die groene stad, vol verborgen schatten, waar het altijd waait, waar het zo goed verdwalen is.”

Dus liep hij door de Papaverhof, de Bosjes van Poot en de Nootdorpse Landingsbaan, en schreef over ieder hoekje een column. Daarbij kreeg hij natuurlijk ook het nodige dialect te horen, van zowel Hagenaars als Hagenezen.

Want tussen de taal van die twee groepen zit het verschil: Ben je van goede komaf of ben je van het volk?

Verreck: „Of zoals ze in Den Haag zeggen: Kom je van het zand of van het veen? De scheiding daartussen vormt de Laan van Meerdervoort. Erboven, op het stevige zand, wonen de gegoede burger en de diplomaat, eronder, op het zachte veen, de arbeiders.

Het verschil is duidelijk te horen, zegt hij. De chique Hagenaar praat immers bekakt, en de Hagenees het platte Haags. Zelf komt hij eigenlijk van het zand, maar hij voelt zich het beste thuis op het veen. „Dat taaltje ligt me gewoon. Hagenezen hebben een ontspannen vorm van humor, met veel zelfspot. Niet zoals het Amsterdams, dat vaak zeurend en ontevreden klinkt. In Haags zit een vorm van onbevangenheid: een Hagenees heeft niet eens in de gaten dat hij grappig praat.”

Neem nou het typetje Haagse Harry: trainingspak (in het Haags: pitbullsmoking), hoge gymschoenen en een matjeskapsel: stekels bovenop en lang haar in de nek. Verreck: „Daar is ooit een stripfiguur van gemaakt. Maar dat beeld ligt dichter bij de waarheid dan mensen denken, want Haagse Harry’s bestaan echt. Zij cultiveren hun uiterlijk bijna, misschien als tegenbeeld van de bekakte Hagenaars. En zij hebben veel met hun taal, het Haags, omdat het iets van hun zelfrelativering uitdrukt. Die striptekenaar noemde de Hagenezen ooit „onbewust verbaal begaafd.””

Toch is er een overeenkomst tussen de taal van de twee groepen, vond Verreck uit. „Eigenlijk praten ze hetzelfde, maar zetten ze hun kaak anders. Als een bekakte Hagenaar „Kijk nou” zegt, dan klinkt dat als: „Kèèk nou.” Zo, met de kin naar voren”, doet hij voor. „Een Hagenees zegt hetzelfde, maar laat die kaak gewoon lui hangen, en dan wordt het: „Kèk nâh.”

De verklaring voor dat verschil? „De Hagenees gelooft het allemaal wel, die houdt van „un beitsje slordag pratâh”: een beetje slordig praten. Maar een bekakte Hagenaar houdt zijn mond veel meer dicht”, lacht Verreck. „Bang dat er volkse elementen naar binnen vliegen, denk ik.”

De schrijver vindt het een kwalijke gewoonte dat er in het Haags, dat nu eenmaal platter is, kwistig met ziektes wordt gestrooid. „Daar ben ik tegen. Als je van dichtbij hebt meegemaakt wat een vreselijke ziekte als kanker doet, laat je het wel uit je hoofd om dat als scheldwoord te gebruiken.”

Dit is het zevende deel in een serie van acht over plaatselijke dialecten.


Enkele woorden in het Haags

’t Haags isset stasdiâhlek dat doâh de âhtogtaune ”volleksklasse” van De Haag wogt gesprauke. Et behoâht tot de Hollandse dialekte. As typies randsteidelek dialek heb et een grammatikaah en syntaksis die nâhweleks afwèke van et Standaagdneidâhlands.

Vertaling:

Het Haags is het stadsdialect dat door de autochtone ”volksklasse” van Den Haag wordt gesproken. Het behoort tot de Zuid-Hollandse dialecten. Als typisch randstedelijk dialect heeft het een grammatica en syntaxis die nauwelijks afwijken van het standaard-Nederlands.

Bron: Wikipedia

Uitdrukkingen en woorden:

afblèfuh: afblijven

bautâh: boter

begaffelen: begrijpen

besguitstuitâh: broodje gehaktbal

blâhwe smurraf: agent

brautjâh è met ùi: broodje ei met ui

broeâh: broer

bakhaas: kat

Ik hâh van jâh.: Ik hou van jou.

kap nâh!: stop nu!

kniftâgh: gek/raar/vreemd

met sallûf: met mayonaise

niet te wènag: toe maar

op zekâhs: zeker weten

pgethaak: biertap

spatjes: kapsones

spreke is zilvâh, zwège is gâhd: spreken is zilver zwijgen is goud.

vonketrekkâh: elektricien

wâht/wout: agent