Herdenking bij het Indisch Monument: treuren om een verloren land

beeld ANP
3

Indische Nederlanders hunkeren naar een land waar ze nooit zijn geweest. Ze hebben heimwee naar een land dat niet meer bestaat. Fantoompijn, noemt Ellen Deckwitz het: „Het is verdwenen, maar je voelt het nog wel.”

Nederland raakte Indië kwijt, Indische Nederlanders hun vaderland. Het waren de naweeën van de Tweede Wereldoorlog, waarvan donderdag werd herdacht dat ze 74 jaar geleden tot een einde kwam. Tijdens de jaarlijkse plechtigheid bij het Indisch Monument in Den Haag verwoordde de 37-jarige dichter Deckwitz vooral hoe het de tweede en derde generatie is vergaan: „Secundair gemis kan generatieslang doorwerken.”

Deckwitz ondervond het zelf. Haar oma, die naast haar woonde, droeg haar gevoelens op het nageslacht over. Nederland was koud en dichtbevolkt, de moraal plat. Er was een ander, beter land, een paradijs waar de familie écht vandaan kwam. Zo kregen de volgende generaties de woede en het verdriet overgeleverd, en het verlangen naar een land waar ze zelf niet waren opgegroeid. „Ze kennen de weg in een huis dat niet meer bestaat”, citeerde Deckwitz schrijver Rudy Kousbroek, die ook in Nederlands-Indië werd geboren.

De familie betreurde slachtoffers; Deckwitz’ oma haar broer –omgekomen bij de Birmaspoorlijn– en haar moeder. De familie betreurde ook het verloren vaderland. Het nageslacht wist niet hoe te troosten, en voelde zich eindeloos machteloos. „We kunnen verlies leren torsen, maar dat maakt het verlies niet ongedaan.”

Maar er is meer. „Die eerste generatie heeft er hier wel iets van gemaakt. Hun taaiheid kan ons inspireren. Het is onze verantwoordelijkheid van de huidige wereld een thuis te maken voor iedereen.”

beeld ANP

Broodmager

Het moeten herkenbare beelden zijn voor tal van aanwezigen die jaar op jaar naar Den Haag komen om te herdenken hoe Japan zijn heerschappij over Azië verloor; zich terug moest trekken op de eigen eilanden. Met achterlating van vele slachtoffers.

De Residentie Bach Ensembles laten het Indisch Onze Vader horen op het veld bij de vijver, aan de voet van het monument dat het leed verbeeldt. Broodmager zijn de zeventien bronzen gestalten rond een baar. In kleine lettertjes staat het op de sokkel: „Ze waren nog zo jong.”

De klok luidt, de taptoe wordt geblazen, een minuut stilte volgt. De vlag gaat in top, het Wilhelmus klinkt. Elk jaar weer. Verlies gaat nooit weg.

De 96-jarige KNIL-veteraan Maurits Baal wordt in zijn rolstoel naar voren gereden en salueert als zijn zoon een krans legt voor de slachtoffers. De oude soldaat overleefde transport per Hell Ship en langdurige dwangarbeid. Vele anderen niet. Hen herdenkt hij.

Drie generaties uit de familie Klemann geven elkaar de hand als ze een krans hebben gelegd „om te herdenken, toen, nu en in de toekomst.”

Minister-president Mark Rutte legt een krans tijdens de herdenking. beeld ANP

Vorzitter E. F. Stoové van de Stichting Nationale Herdenking 15 Augustus 1945 moet denken aan het dagboek van een kampoverlevende, die beschreef hoe een dysenteriepatiënt werd voorbijgedragen die zo mager was dat iedereen dacht hij niet meer leefde. In veertien maanden tijd werden 1450 geïnterneerden begraven. Slachtoffers van brute overheersing. Het raakte Stoové: zijn vader zat in hetzelfde kamp als de dagboekschrijver.

In de concentratiekampen heerste een „brandend verlangen” –dit jaar het thema van de herdenking– naar vrede en veiligheid, zegt Stoové. Hij hoopt op „een troostrijke herdenking, in verbondenheid.”

Rotsvast geloof

De oma van Jésaja Gunawan geloofde rotsvast dat haar gebed om vrede zou worden verhoord. Niet dat ze daar later ooit nog weer over sprak. Over de Tweede Wereldoorlog zweeg ze. De 18-jarige Jésaja hoorde het verhaal van zijn –inmiddels overleden– oma van haar zus, als voorbereiding op de toespraak die hij als leerling van het Vrijzinnig Christelijk Lyceum tijdens de herdenking te houden had.

In oma’s dorp in Nederlands-Indië woonden christenen en moslims vredig bij elkaar, voor, tijdens en na de oorlog. „Het geloof was geen twistpunt.” Hoe anders ziet Gunawan de wereld nu: „Het wij-zijdenken is gemeengoed onder velen van ons. Tegenover elkaar staan lijkt belangrijker dan naast elkaar staan. Het moet toch mogelijk zijn elkaar te ontmoeten?”

Het is de les van de oorlog die de wereld 75 jaar geleden nog overheerste: „Christenen en moslims waren tegen dezelfde onderdrukker. Ze baden voor dezelfde vrede.”