„Gesprek in EU-verband nodig over Turkse gif”

ISN-secretaris Murat Türkmen donderdag tijdens het verhoor. beeld ANP, Bart Maat

Nederland moet, liefst in Europees verband, het gesprek met Turkije aangaan over hoe dat land „Turkse Nederlanders vergiftigt met vijandsdenken”, vindt Erik-Jan Zürcher, hoogleraar Turkse talen en culturen in Leiden.

Zürcher zei dat donderdag tegen de parlementaire ondervragingscommissie naar ongewenste beïnvloeding uit onvrije landen. De wetenschapper noemde Turkije „geen vrij land, maar een staat met een meerderheidsdictatuur, zoals je er in de wereld zoveel hebt.”

Problematisch vindt hij het dat de regering van Erdogan een boodschap uitdraagt die uitdrukkelijk gericht is tegen westerse landen, en dus ook tegen Nederland. „Het narratief is dat als de wereld was zoals zij behoort te zijn, Turkije een hoofdrol zou spelen op het wereldtoneel en voortdurend aan tafel zou zitten met de VS, Rusland en China, maar dat er allerlei krachten zijn, zoals de westerse landen, die er alles aan doen om Turkije klein te houden.”

Dat betekent dat Turkse Nederlanders impliciet of expliciet de boodschap krijgen: „Het land waarin jij leeft, is eigenlijk uit op onze ondergang en westerlingen zijn crypto-fascisten.” Dat brengt de Turkse gemeenschap in Nederland „in gewetensnood”, aldus Zürcher.

In het verhoor voor de Kamercommissie maakte hij overigens duidelijk dat deze beïnvloeding vanuit Turkije niet primair via de moskeeën verloopt en ook niet via het veelbesproken Diyanet, het Turkse ministerie voor religiezaken. „Veel gaat via nieuwe media, en lang niet alles gaat via de kanalen van de staat.” En bedenk wel, stelde de wetenschapper: extreem nationalistische ideeën worden Turkse Nederlanders niet zozeer opgedrongen. Ze staan er vanuit zichzelf volledig voor open; ze delen die ideeën al grotendeels.

In de ongeveer honderdvijftig Turkse moskeeën in Nederland prediken doorgaans door Diyanet betaalde imams, stelde de hoogleraar. Die dragen echter geen politieke boodschappen uit, maar weiden vooral uit over de islamitische plichtenleer. Misschien wordt er weleens gebeden voor strijders in Syrië, maar daar blijft het waarschijnlijk bij.”

Op de gedachte dat Turkije via haar “lange arm” Diyanet in Nederlandse moskeeën een fundamentalistische islam zou bevorderen, bracht Zürcher nóg een relativering aan: Diyanet, een „saai ministerie, waar wel zo’n 100.000 ambtenaren werken”, is vanaf haar oprichting juist mede bedoeld geweest om extremistische vormen van de islam tegen te gaan en onder controle te houden.

Het terugsturen van Diyanet-imams naar Turkije – zoals Duitsland, Oostenrijk en Frankrijk deden – is volgens de hoogleraar geen goed idee. „Om twee redenen niet: er zijn geen Nederlandse vervangers, doordat een Nederlandse imamopleiding nooit goed van grond is gekomen. En bovendien bestaat voor zo’n maatregel beslist geen draagvlak in de Turkse gemeenschap zelf.”

Om scherp te krijgen of Turkije via Diyanet mogelijk toch politieke invloed uitoefent in Nederland sprak de commissie donderdag ook met Murat Türkmen. Hij is secretaris van de Islamitische Stichting Nederland (ISN), ook bekend als Hollanda Diyanet Vakfi. De voorzitter van deze organisatie is in dienst van het Turkse ministerie.

Diverse incidenten uit het verleden passeerden de revue. Zo ontvingen talrijke Turkse zelforganisaties in 2006 een mail met daarin een oproep om op het Turkse D66-Kamerlid Fatma Koser Kaya te stemmen, omdat zij de zogenaamde Armeense kwestie niet als genocide bestempelt. Klopt, zei Türkmen, maar nooit is aangetoond dat ISN die mail binnen Nederland distribueerde. Hij wees met de beschuldigende vinger naar een toenmalige Turks-Nederlandse lobbygroep.

Ernstiger leek een tweede kwestie: een demonstratie van een paar duizend Nederlandse Turken bij een herdenkingsmonument voor de Armeense genocide op 1 juni 2014 in Almelo. Uit een folder die destijds rouleerde, valt af te leiden dat de Nederlandse Dyanetmoskeeën in 2014 gratis busvervoer organiseerden voor de Turkse demonstranten. „Er stond geen Dyanetlogo op de folders”, verweerde Türkmen zich. Het duidt er volgens hem op dat ISN destijds vermoedelijk geen officiële medeorganisator van de demonstratie is geweest. „Als we nu een dergelijk verzoek daartoe zouden krijgen, zouden we dat afwijzen”, voegde hij eraan toe. „Het botst met onze doelstellingen.”

Over een derde kwestie waren Türkmen en de Kamercommissie het snel eens. Na een mislukte coupepoging in 2016 verklaarde de Turkse president Erdogan de oorlog aan de Gülenbeweging. Oud-ISN-voorzitter Yusuf Acer betoonde daarop zijn loyaliteit aan de president door een lijst met namen van vermeende aanhangers van de Gülen-beweging in Nederland door te spelen aan het ministerie in Ankara. Türkmen keurde dat af en noemde de daaropvolgende gedwongen terugkeer van Acer naar Turkije terecht. In een strategisch plan dat in 2017 werd opgesteld staat dat de functie van ISN-voorzitter niet meer mag worden bekleed door een diplomaat.

Türkmen zei niet te weten dat in 2016 ook twee Dyanet-imams, een uit Lelystad en een uit Zwijndrecht, hun Facebookvrienden hadden opgeroepen Gülenisten te melden bij Turkse overheidsdiensten. Op de vraag wat hij zou doen met imams die hij daar nu op zou betrappen, zei hij: „Direct het Turkse consulaat op de hoogte stellen en ze met de eerste vlucht terug naar Turkije sturen. Ik zou daar geen minuut overheen laten gaan.”