„Geef ideeën kind plek in lokaal armoedebeleid”

„Als iedereen in een wijk net zo leeft als jij, relateer je je eigen problemen niet zo snel aan armoede." beeld RD, Anton Dommerholt
2

Kinderen in achterstandswijken bestempelen zichzelf niet als arm. Wel hebben ze duidelijke ideeën over de mogelijkheden om hun leven prettiger te maken. Het is belangrijk dat beleidsmakers goed naar deze suggesties van kinderen luisteren, concludeert Asia Sarti na onderzoek in twee achterstandswijken in Amsterdam-Noord en Hoorn. Woensdag promoveert ze aan de Vrije Universiteit in Amsterdam op haar studie.

Voor haar onderzoek bevroeg Sarti kinderen niet direct op het thema armoede. Ze probeerde zicht te krijgen op hun totale leefwereld. Daarvoor gebruikte ze onder meer de methode photovoice. Hierbij namen 29 kinderen tussen de 8 en de 14 jaar foto’s van objecten en plaatsen in hun omgeving die voor hen van betekenis zijn. Tijdens wekelijkse bijeenkomsten hadden hierover groepsgesprekken plaats en werden de kinderen geïnterviewd.

Welk beeld kreeg u van de armoede in het leven van deze kinderen?

„In de gesprekken ging het over allerlei thema’s. Gebrek aan geld om aan activiteiten, zoals sport of muziekles, deel te kunnen nemen kwam geregeld terug. Buiten spelen was ook een veelgenoemd thema, mede door gebrek aan ruimte thuis. De buitenomgeving is daarom voor veel kinderen heel belangrijk. Ook pestgedrag en gevoelens van onveiligheid kwamen meer dan eens aan de orde. Buitenstaanders koppelen sommige van deze zaken al snel aan armoede, maar de kinderen zelf doen dat niet.”

Hoe verklaart u dat?

„Ik weet niet of ze de gedachte aan armoede bewust van zich afduwen omdat er een taboe op rust, of dat ze onbewust denken dat hun situatie normaal is. Als iedereen in een wijk net zo leeft als jij, relateer je je eigen problemen niet zo snel aan armoede. Misschien is het een combinatie van beide.

Hoewel kinderen zichzelf niet als arm beschouwen, willen ze hun leven wel prettiger maken en werken aan een goede toekomst.”

Wat kunnen beleidsmakers met de uitkomsten van dit onderzoek?

„Het is belangrijk om goed naar de wensen van kinderen te luisteren en die serieus te nemen. Zorg bijvoorbeeld voor voldoende gratis of goedkope activiteiten waaraan kinderen in de wijk kunnen deelnemen. Ook een goede buitenomgeving is belangrijk, zo bleek uit veel foto’s die de kinderen maakten. Ze zijn gehecht aan bepaalde plekken, maar geven ook aan wat ze missen.

Sommigen zeiden bijvoorbeeld dat veel speeltuinen zijn afgestemd op kleine kinderen. Zelf gaan ze nog niet naar de pleinen waar de oudere jeugd samenkomt. Ze raken dus tussen wal en schip, terwijl ook zij behoefte hebben aan een eigen plek in de wijk. Daar kun je als gemeente op inspelen door zo’n plek te creëren.”

U bestudeerde ook een Amsterdams schooltuinenprogramma. Wat viel u daarbij op?

„De schooltuinlessen worden gegeven in diverse stadsdelen waar veel mensen met een lage sociaaleconomische status wonen en waar overgewicht en obesitas veel voorkomen.

Ik heb onderzocht in hoeverre deze lessen kunnen bijdragen aan het veranderen van de eetpatronen van kinderen. De deelnemers vinden het schooltuinieren leuk en waardevol, maar hebben ook praktische aanbevelingen om het programma te verbeteren.

Ze willen minder en kortere instructies en meer tijd om echt te tuinieren. Als je daarop inspeelt, neemt het plezier van de kinderen toe. Daardoor vergroot je de kans dat het programma succesvol is en dus leidt tot meer groenteconsumptie.”

Wat is uw belangrijkste advies aan gemeenten?

„Maak kinderen partner bij het bepalen van beleid. Zoek hen regelmatig op op plekken die voor hen belangrijk zijn. Dat vergt een investering en juist daarom blijft het waarschijnlijk vaak liggen.

Misschien wordt het ook als lastig gezien. Maar ik ben ervan overtuigd dat de inbreng van kinderen leidt tot een beter beleid. Maak daar capaciteit voor vrij. Als het welzijn van kinderen daardoor kan worden vergroot, is dat in het belang van iedereen.”