Geallieerde bevrijders trokken spoor van plundering

Een herdenking van operatie Market Garden op de Ginkelse Heide. beeld ANP

Geallieerde bevrijders worden, zeker in dit jaar dat Nederland herdenkt dat zij 75 jaar geleden een einde maakten aan de Tweede Wereldoorlog, alom bejubeld. Dat zij vanaf september 1944 ook een spoor van vernieling, roof en plundering achterlieten, komt nauwelijks aan de orde. „Na de oorlog overheerste het gevoel van: vreselijk wat er is gebeurd, maar nu bouwen we ons bestaan weer op. De bevrijders waren helden. Zand erover.”

Dat schrijven historisch onderzoekers Paul Klinkenberg, Paul Thissen en Paul van der Heijden in hun boek Bezet, bevrijd & geplunderd. Het boek verschijnt vrijdag tegelijk met de opening van de gelijknamige expositie in het Vrijheidsmuseum in Groesbeek. „Plundering door de geallieerden was heel lang taboe in de herdenkingscultuur. Nu, driekwart eeuw later, is het tijd om deze schaduwkant van de bevrijding te belichten”, aldus de auteurs.

Het boek spitst zich toe op Noord-Limburg, Oost-Brabant en Zuid-Gelderland. Dit deel van het land werd frontgebied nadat de bevrijdingsoperatie Market Garden in september 1944 was mislukt. Tot na de bevrijding in mei 1945 lagen hier tien- tot honderdduizenden Amerikaanse, Britse en Canadese militairen. Daardoor liep het wangedrag in deze regio zodanig uit de hand dat er na de oorlog een speciale schaderegeling moest komen. Maar, schrijven de onderzoekers, plundering kwam in heel Nederland voor. „Extreme omstandigheden maken veel los - en niet alleen heldhaftigheid.”

Vanaf september 1944 roofden de bevrijders op tal van plaatsen zowat elk huis, hotel, kerk, fabriek en klooster leeg. Van sieraden, geld en drank tot antiek, van motoren, meubilair en bestek tot marmeren drempels, alles verdween. Soms hadden de militairen die spullen nodig, maar veel vaker ging het om verzamelen van souvenirs en zelfverrijking. Plunderen was volgens de schrijvers ook een manier om spanning af te reageren.

„De militaire leiding wist dat het gebeurde, maar had meer aandacht voor de voortgang van de oorlog. Handhaving was er nauwelijks. Misschien begrijpelijk, maar wel bitter voor getroffen burgers”, aldus de auteurs. „Op plundering stond de doodstraf en er hingen ook waarschuwingsborden, maar daar trok niemand zich iets van aan.”

In een heel enkel geval hebben de dader of zijn nabestaanden tientallen jaren na de oorlog kostbaarheden teruggegeven of spijt betuigd. „Schaamte gaat een rol spelen. En langzaam maar zeker ontstaat nu ruimte voor relativering van de heldenverering.” De schrijvers pleiten voor meer onderzoek in de archieven van de voormalige geallieerde landen.