Dr. Wim Fieret: Jongeren inspireren mij

Dr. Wim Fieret. beeld André Dorst André Dorst

Hij vroeg aan z’n studenten: Wie heeft er Kliksafe? „Ik stak zelf als eerste m’n hand op”, vertelt dr. Wim Fieret. „De groep reageerde verbaasd. U? Met uw mooie stropdas en pak? Ja, ik. Want onder mijn nette kleren zit een zondig hart. Daarmee was de weg gebaand voor een goed gesprek over internetfilters.”

Het voorval typeert Fieret, die morgen 65 wordt en een punt zet achter z’n ruim 40-jarige loopbaan in het reformatorisch onderwijs. „Probeer dicht bij jongeren te komen. Dan landt de boodschap beter. En we moeten als opvoeders soms onze mond even houden. We praten zo graag; we moeten leren luisteren. Dat is een hele kunst.”

Fieret gaat z’n bezoek voor naar de eerste verdieping in z’n Woudenbergse woning. Daar wacht een verrassing. Twee slaapkamers zijn samengetrokken tot een ruime, sfeervolle werkkamer, inclusief antiek bureau, staartklok en elektrische openhaard. Hij wijst naar de fraaiblauwe lambrisering. „Die panelen heeft mijn vrouw gemaakt. Ze is erg handig; ik niet.” Z’n ogen twinkelen: „Ik had me op het gebied van klussen graag verder ontwikkeld, maar mijn vrouw deed het liever alleen.”

U trekt al zo lang met jongeren op. 
Wat heeft u met hen?

„Jongeren zijn gewoon aardig, vriendelijk. Ik vind hen heel inspirerend om mee om te gaan. Ik steek er veel energie in, maar krijg er ook veel voor terug. Vriendschap, vertrouwen. Aan het eind van mijn laatste les op het Hoornbeeck College in Amersfoort hebben ze me toegezongen: Zegen hem, Algoede. Jongeren van 19, 20 jaar. Daar krijg ik tranen van in m’n ogen.”

De laatste vier jaar was u lector identiteit op het Hoornbeeck. Lectoraten zijn soms weinig concreet. Wat heeft dat van u op­geleverd?

„Allereerst: het was een mooie klus. Door de vele persoonlijke gesprekken met jongeren, ouders, leraren en kerkenraadsleden. Daarnaast is er een digitale enquête gehouden onder 1600 leerlingen van alle reformatorische middelbare scholen en het Hoornbeeck College. Ik heb veel presentaties gegeven en er zijn drie brochures gemaakt: voor docenten, kerkenraden en ouders. Bij alle activiteiten van het lectoraat was de hamvraag: hoe leren we onze jongeren de boodschap van de Bijbel te verbinden met het leven van elke dag?”

Riep die vraag herkenning op als u het land inging?

„Vooral door de categorisering die we als lectoraat hebben bedacht. We hebben jongeren in drie groepen verdeeld: de verbinders, de schakelaars en de ont­koppelaars. De verbinders vragen zich af: hoe geef ik de normen en waarden die ik van huis uit meekrijg handen en voeten? De schakelaars leven in twee werelden, en de ont­koppelaars laten hun opvoeding los. Verreweg de meeste jongeren, tegen de 
70 procent, zijn schakelaars. Ze hanteren verschillende normen en waarden, afhankelijk van de situatie. Ze gaan naar de kerk én naar de bioscoop.”

Schrikt u daarvan?

„Als je veel met jongeren omgaat, schrik je niet meer zo snel. Het is wel een spannende vraag of jongeren schakelaar blijven. Hoelang duurt die fase in hun leven? En: worden ze na verloop van tijd verbinder? Dat hoop je natuurlijk. De keuze van de levenspartner is in dit verband heel belangrijk. Het lijkt er echter op dat veel jongeren schakelaar blijven. Het wordt hun ”way of life”. Ze hebben de tijd mee. De betekenis van het vaste, het verankerde neemt af. Shoppen tussen normen en waarden is in. Psychologen noemen het bricoleren: de hapsnapcultuur.”

Het ís toch een lastige tijd?

„Onze jongeren, tot welke categorie ze ook behoren, groeien op met de Bijbel. Die is voor hen belangrijk. Maar de Bijbel staat haaks op het moderne levensgevoel. Dat ervaren jongeren dagelijks. Abortus, euthanasie, homohuwelijk, cremeren: het is alle­maal geaccepteerd in de samenleving. Dat doet iets met jongeren. Ze worden erdoor beïnvloed. Neem seks voor het huwelijk: de Bijbel is er duidelijk over. Maar jongeren hebben er een eigen verhaal bij. Als je écht van elkaar houdt en je weet zeker dat je wilt trouwen, dan mag het wel, zeggen ze. Een vorm van seculier denken die je veel onder onze jongeren aantreft. Als iets goed voelt, is dat minstens zo belangrijk als wat de Bijbel erover zegt.”

Vroeger was het allemaal beter, zeggen ouderen.

„Néé. Vroeger was het anders. De hele digitale wereld bestond niet. Als je iets over seks wilde weten, moest je naar de boekhandel, daar iets uitzoeken en afrekenen bij de kassa. Dat liet je dus wel uit je hoofd. Nu is één klik van de muis genoeg om op een sekssite te komen. Daarom is het van nog grotere betekenis geworden dat we jongeren Bijbels leren denken; dat we aan gewetensvorming doen. Daarbij doet de persoon van de opvoeder er meer dan ooit toe. Jongeren zijn eerder bereid iets aan te nemen als ze zien dat de Bijbel echt gezag heeft in het leven van hun opvoeders.”

U begon ruim veertig jaar terug als schoolmeester, werd leraar, had directiefuncties, maar ging uiteindelijk toch weer lesgeven. Het bloed kroop waar het niet gaan kon?

„Toen ik in 2011, na dertien jaar leiding­geven, weer voor het eerst voor de klas stond, was dat een feest van herkenning. Ik beleef veel plezier aan het lesgeven. Ik denk dat de kwaliteit van mijn lectoraat minder was geweest als ik het niet had gecombineerd met het werk in de klas.”

Er veranderde intussen veel in het onderwijs.

„Mijn laatste les in 1998 was met schoolbord en krijtje; mijn eerste in 2011 met een powerpointpresentatie. De spanningsboog bij jongeren is korter geworden. Als docent 45 minuten het woord voeren, lukt niet meer. Jongeren zijn opener geworden. Ze zeggen eerder wat ze denken. Maar ze blijven sturing nodig houden. De dag­opening op school is daar een mooi moment voor. Voorheen las je als docent een stukje uit de Bijbel en gaf er een toelichting bij. Tegenwoordig stel je de vraag: wat betekent dit Bijbelgedeelte voor jou persoonlijk? Dat geeft de mogelijkheid om dichtbij jongeren te komen.”

Er is kritiek op de overheid en de inspectie, die het onderwijs vooral willen afrekenen op resultaten. Terecht?

„Dat is zeker een zorgpunt. Aan de andere kant: de school krijgt veel geld van de overheid. Dan mag er ook veel uitkomen. Een leraar die slecht presteert, mag je aanspreken. Opbrengstgericht werken is geen vies woord. Maar het moet niet ten koste gaan van de vorming van leerlingen. De school is meer dan een diplomafabriek. Trouwens: een docent kan niet niet-opvoeden, zegt pedagoog Wim ter Horst. Hij voedt altijd op: positief of negatief.”

U was jarenlang verbonden aan het weten­schappelijk instituut van de SGP. Hoe doen de mannenbroeders het in de Tweede Kamer?

„Goed. Ik vond het indrukwekkend hoe 
Van der Staaij bij de algemene beschouwingen enkele Bijbelverzen voorlas en de relevantie ervan uitlegde voor nu. Het is een worsteling om het juiste evenwicht te vinden tussen getuigen en praktische politiek. Maar daar hadden mannen als ds. Kersten en ds. Zandt in hun tijd ook al mee te maken. Er is echter een groot verschil. Zij konden het gewoon hebben over artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Het merendeel van de Kamerleden begreep dat. Tegenwoordig vragen ze: Artikel 36? Van welke wet bedoelt u? In de tijd van Kersten en Zandt was Nederland een christelijke natie. Als je die context zomaar transporteert naar nu, doe je iets fout.”

Heeft u er hartzeer van dat er inmid-
dels een vrouw namens de SGP in 
de gemeenteraad zit?

Fieret glimlacht. „Ik heb m’n lidmaatschap er niet voor opgezegd.” Dan: „We stimu­leren onze jongeren, dus ook onze meisjes, om te leren, te studeren, hun verant­woordelijkheid te nemen. Maar ze zouden niet de SGP mogen vertegenwoordigen. 
Als ik het daar in de les over had, begrepen ze het wel, met een beetje goede wil, maar ze waren het er niet mee eens.” Met een steelse lach: „Ik snap dat.”

U geldt als een van de opinieleiders in de reformatorische achterban. Wat drijft u?

„Betrokkenheid bij de achterban. Ver­antwoordelijkheid voelen én nemen. Aan de zijlijn staan? Nee, dat heb ik niet van thuis meegekregen. Ik schrijf graag, houd graag lezingen. Veel mensen hebben behoefte aan achtergrondinformatie, vooral over de opvoeding van hun kinderen. Ik probeer die te geven. Ik hou er niet van elkaar de maat te nemen. Liever probeer ik anderen tot een hand en een voet te zijn. Dat heeft met mijn afkomst te maken.”

In welke zin?

„Ik ben opgegroeid in Oostburg, in Zeeuws-Vlaanderen. We gingen op zondag naar de oud gereformeerde gemeente. Een kleine groep van zo’n vijftig mensen te midden van veel rooms-katholieken en veel liberalen. Anderen respecteerden ons. De verhoudingen waren goed. Het was geven en nemen. Ik heb geleerd dat er ook buiten de reformatorische gezindte wijze en integere mensen zijn, voor wie je respect kunt hebben. Mijn vader had een viswinkel. Op vrijdag, vastendag, moest ik bij de pastoor vis brengen. Ik hoefde niet aan te bellen, maar mocht gewoon door de achterdeur naar binnen. Dan stond daar meneer pastoor in z’n lange gewaad.” Fieret wacht even. Dan: „En op zondag hoorde ik een preek over de paapse mis.”

Bent u een zuilman?

„Minder dan veel anderen in de reformatorische achterban. Ik hou van de gereformeerde gezindte. Die is me lief en dierbaar. Ik ben binnen die gezindte geen enfant terrible of querulant. Maar sommige discussies zijn niet zo aan mij besteed. Mijn vader was ouderling en las preken van Flavel, Smijte­gelt, de Erskines, Van der Groe, Hellen­broek. Toen ik in 1966 op de Driestar in Gouda kwam, hoorde ik daar voor het eerst discussies over het aanbod van genade. Ik had daar nog nooit zo diep over nagedacht; ik had altijd een heldere boodschap over het aanbod gehoord. Dankzij de oudvaders. Soms hoor ik krampachtige discussies in onze achterban. Bijvoorbeeld over de zater­dag­avondbesteding. Een jongen vertelde mij dat hij die avond vaak dingen deed die God verbiedt. Z’n ouders wisten dat. Wat ze echter belangrijker vonden: hun zoon moest om uiterlijk twaalf uur thuis zijn. Anders waren de rapen gaar. Zo’n houding van opvoeders geeft een schijnzekerheid.”

Een druk, arbeidzaam leven ligt achter u. Wat blijft over?

„Dankbaarheid dat ik al die jaren niet zuchtend en piepend mijn werk hoefde te doen, maar het met vreugde mocht doen. God heeft mij veel gegeven. Als ik dat niet zou zeggen, zou ik ernstig tekortdoen aan de vele zegeningen. Ik moet denken aan Geert Grote met het bekende onderscheid tussen het ”vita activa” en het ”vita comtemplativa”. Wij zijn vooral met het eerste bezig. Ben je druk? Zelfs als je 65 bent, moet je nog actief zijn. Maar nu het tweede: het leven van afzondering. Geert Grote zegt: Om een dieper besef van je zonde te krijgen, nederig­heid te oefenen en je voor te bereiden op het hiernamaals. Dat zijn we een beetje kwijtgeraakt.”

De beste jaren komen nog?

„Dat is mijn dagelijks gebed.”


Levensloop dr. Wim Fieret

Wim Fieret (1950) groeit op in het Zeeuwse Oostburg. Hij leert voor onderwijzer op de Driestar in Gouda, studeert in de avonduren geschiedenis en promoveert op de SGP in de periode 1918-1948. Hij start z’n loopbaan op de Ds. Aangeenbrugschool in Terneuzen en stapt in 1976 over naar het Van Lodenstein College in Amersfoort, als leraar geschiedenis. Fieret vervult daar diverse directiefuncties. In 2011 wordt hij lector identiteit op het Hoornbeeck College. Sinds gisteren is Fieret met pensioen. Hij woont in Wouden­berg, is getrouwd, heeft zeven kinderen en veertien kleinkinderen, en behoort tot de Oud Gereformeerde Gemeenten.