De pijn van donkere refodocent Josh van Haeften

Racisme
Godsdienstdocent Josh van Haeften op het Van Lodenstein College: „Onderscheid maken op basis van huidskleur is een slag in het gezicht van de Heere.” beeld RD, Anton Dommerholt
2

De gewelddadige dood van de zwarte Amerikaan George Floyd ontketent wereldwijd een debat over racisme. Hoe racistisch is de reformatorische kring? Drie refo’s met een donkere huidskleur vertellen erover.

In reformatorische kring is hij om zijn donkere huidskleur nogal eens racistisch bejegend. Josh van Haeften (36), docent godsdienst op het Van Lodenstein College: „Als ik word uitgescholden, voel ik verslagenheid en matheid.”

Hij wil zichzelf „absoluut niet” in een slachtofferrol plaatsen. „Ik heb in Nederland veel kansen gekregen en ben van Godswege hier terechtgekomen”, zegt Van Haeften, die in Sri Lanka het levenslicht zag.

Vier weken na zijn geboorte werd hij geadopteerd en kwam hij in Woudenberg terecht. Sinds 2014 doceert Van Haeften, nu woonachtig in Scherpenzeel, godsdienst aan het Van Lodenstein College. Hij begon in Kesteren en werkt sinds 2018 op de Amersfoortse vestiging van de reformatorische school.

Als donkere docent voelde Van Haeften zich zeker de eerste jaren in Kesteren vaak hoogst ongelukkig. Hij overwoog zelfs meermalen het bijltje erbij neer te gooien. Zo’n vijf keer werd de afgelopen jaren een leerling één of enkele dagen van school gestuurd vanwege racistische opmerkingen aan het adres van Van Haeften. Ze maakten hem bijvoorbeeld uit voor zwarte, voorafgegaan door schuttingtaal of een ernstige ziekte.

Schieten

Dieptepunt was een incident in 2019. „Een meisje van een jaar of 14 kwam heel bleek naar me toe. „Meneer, net vroeg een jongen aan me: Heb jij zo les van die k..zwarte? Heb jij ook zin hem een kogel door zijn kop te schieten?” De jongen maakte deel uit van een groepje van drie jongens. De door het meisje aangewezen jongen ontkende zoiets te hebben gezegd. De jongens konden niet worden geschorst. Op camerabeelden zagen we het gesprek met het meisje. Helaas was er geen geluid bij de beelden. Ik heb geen enkele reden te twijfelen aan het verhaal van het meisje.” Blij was Van Haeften met reacties van andere leerlingen. „Ze zeiden: Meneer, we kunnen u nog niet missen. Dat had iets aandoenlijks.”

Pijnlijk vond Van Haeften de houding van twee collega’s in de begintijd. „Ze behoren net als ik tot de rechterflank van de gereformeerde gezindte. Die twee collega’s, ambtsdragers, hebben me een jaar lang genegeerd en niet gegroet. Ik voelde me op mijn hart getrapt. Ik weet zeker dat hun weerzin tegen mij met mijn huidskleur te maken had. Dat zeiden ze ook gewoon.”

Tot zijn opluchting kwam er een keer ten goede. „Ik bad de Heere: Geeft U eens een moment dat we elkaar spreken. Die gelegenheid kwam toen we moesten samenwerken. We spraken van hart tot hart, ook over zaken van de eeuwigheid. Toen brak het ijs. Sindsdien zijn de rollen omgedraaid. Nu nemen die mannen het juist voor me op.”

Portemonnee

Van Haeften maakt zich zorgen over racistische sentimenten in reformatorische kring. „Ik bespeur in nogal wat gezinnen kortzichtige visies over mensen met een andere huidskleur. In de Betuwe heersen nogal uitgesproken en vijandige opvattingen over buitenlanders. Het is zeker waar dat bijvoorbeeld Marokkanen zijn oververtegenwoordigd in de misdaadcijfers. Maar scheer niet iedereen over een kam. Niet alle mensen met een donkere huidskleur zijn crimineel of profiteren van de Nederlandse staat.

Helaas was ik op verjaardagsfeestjes in reformatorische kring meermalen mikpunt van spot. Voor mij totaal onbekende mensen zeiden bij mijn binnenkomst dan: „O, houd je portemonnee bij je!” Ik verbaas me over dat soort vrijmoedigheid. Soms zet ik dan zo’n zogenaamde grappenmaker te kijk. „O, jij hebt meer culturele kennis dan ik zo van je gezicht kan aflezen.””

De reformatorische docent vindt het een veeg teken dat in de ongeveer vijf gevallen dat leerlingen vanwege racistische uitlatingen werden geschorst, slechts in één geval ouders een excuusbrief stuurden. „Ik beweer niet dat ouders hun kinderen stimuleren mij te beledigen. Maar als mijn eigen kind een docent op zijn hart zou hebben getrapt, zou ik als ouder de school laten weten dat ik me zeer opgelaten voel over het gedrag van mijn kind.”

Van Haeften wil er rekening mee houden dat mensen in een ‘witte’ omgeving „moeten wennen” aan kleurlingen. „Onbekend maakt onbemind. Het is voor menigeen shockerend als er voor het eerst een docent met een donkere huidskleur komt werken. Ik wil geduldig zijn en mensen de tijd geven. Collega’s uit Amsterdam verklaren me vast voor gek. Toch is de weg van verootmoediging Bijbels. Al valt me dat soms zwaar. Want als ik vervelend word bejegend, ben ik vaak uit het veld geslagen en voel ik matheid en verslagenheid. Vaak houd ik psalm 37 vers 3 in gedachten: „Vertrouw op den HEERE en doe het goede; bewoon de aarde en voed u met getrouwheid.”

Ondanks de problemen maakte ik in Kesteren ook mooie momenten mee. Denk aan steun van collega’s. Toen mijn vrouw en ik een kindje kregen, werden we in Kesteren overladen met cadeaus. Dorpelingen zagen me op een gegeven moment als een van hen.”

Kordaat

Als leerlingen hem vervelend behandelen, is een „kordate” reactie vereist. „Een havo-leerling riep eens „zwarte” naar me. „Kom jij eens even hier”, zei ik. „Mijn naam is Van Haeften, vind je dat ook niet veel mooier klinken?” De jongen betuigde spijt en groette me voortaan altijd joviaal met „meneer Van Haeften.”

De godsdienstdocent wil zeker niet elke kwinkslag over zijn huidskleur als racistisch duiden. „Ik ben best nuchter. Als ik dik of grijs zou zijn, zouden sommige leerlingen me misschien daarmee treiteren. Ik hou zelf van humor en zet zelf ook wel eens iemand op een gezonde manier voor schut. Er is verschil in grappen. Dat voel ik haarfijn aan. Aan een leerling met de achternaam De Bruin vroeg ik eens: Heb je het begrepen, De Bruin? „Bruin? Dat bent u!” reageerde de jongen, meteen schrikkend van zijn woorden. Toch konden we er allebei smakelijk om lachen.

Vorig jaar zat ik tijdens een personeelsuitje naast een collega. Ik bestelde een dame blanche als toetje, hij een brownie. Toen we elkaars toetje zo bekeken, moesten we beiden erg hard lachen.

Als iemand mij vroeger op het schoolplein een keertje uitmaakte voor Zwarte Piet, vond ik dat niet erg. Maar er waren ook kinderen die dat grapje vaak maakten. Zij botvierden hun racistische en narcistische gevoelens op mij. Dat deed pijn.”

Mensen in reformatorische kring moeten oppassen dat ze zich superieur voelen boven andere rassen, waarschuwt Van Haeften. „Onderscheid maken op basis van huidskleur is een slag in het gezicht van de Heere. Hij heeft iedereen naar Zijn beeld geschapen. Een preek afgelopen zondag over Salomo’s koets uit Hooglied 3 trof me. Het roodkleurige purperen kleed aan de bovenkant van de koets is een verwijzing naar Christus’ bloed waardoor een zondaar wordt gered. We moeten ons als zwartgekleurden, bruingekleurden en blankgekleurden allen verootmoedigen voor Gods aangezicht. In de hoop dat we door de verdiensten van Christus de kleur rood mogen ontvangen. In die kleur maakt God geen onderscheid in ras.”

„Donkere broertje durfde geen banaan te eten”

„Neger!”, voorafgegaan door schuttingtaal. Of: „Ga katoen plukken!” Dat soort opmerkingen kreeg het jongere, Afrikaanse broertje van Sheila (gefingeerde naam) op een reformatorische middelbare school te horen. De 29-jarige Sheila is zelf ook getint, net als haar oudere broer. Alle drie zijn ze geadopteerd en groeiden ze op in een reformatorisch gezin.

Haar Afrikaanse broertje kreeg op de school „de grofste dingen” naar zijn hoofd geslingerd van medeleerlingen. „De daders kwamen vaak uit dorpen waar nauwelijks buitenlanders wonen. Mijn broertje durfde op school nauwelijks een banaan te eten. Hij was bang dat andere leerlingen hem zouden uitschelden voor aap.”

Sheila plaatst wel een kanttekening. „Mijn donkere broertje vond al gauw dat hij om zijn kleurtje werd gediscrimineerd door docenten en leerlingen. Hij zat echter ook met zichzelf in de knoop.”

Zelf zegt Sheila, woonachtig in een middelgrote stad in het oosten van het land, op de reformatorische middelbare school niet te zijn gepest om haar huidskleur. „Ik hoorde tot een groep populaire leerlingen. Wel hoorde ik jongeren vaak zeggen dat het altijd donkere mensen zijn die stelen.”

Op een christelijke basisschool in de stad waar ze op haar vijfde jaar terechtkwam, had Sheila wel last van pesterijen om haar huidskleur. „De helft van de leerlingen was daar niet christelijk. Eigen volk eerst, zeiden kinderen uit mijn klas. Ik werd uitgemaakt voor zwarte. Ik voelde me buitengesloten en speelde vaak alleen. Het ging helemaal niet goed en ik ben naar een andere school vertrokken.”

„Ik erger me aan relschoppers bij demonstraties tegen racisme”

Racisme? Staphorster Johan van Arnhem (41), geboren in Indonesië, zegt er al jarenlang nauwelijks last van te hebben.

Wel herinnert Van Arnhem, leerkracht op de reformatorische Koning Willem Alexanderschool in Staphort, zich incidenten uit zijn jonge jaren. „Op school werd ik als kind uitgemaakt voor zwarte. Ik was niet de enige met een donkere huidskleur, er zaten ook een paar Surinamers op school. Ruzies na dat soort scheldpartijen vochten we uit met onze vuisten.”

Vervelend vond Van Arnhem, die zeven maanden jong was toen hij werd geadopteerd, dat hij in zijn verkeringstijd op straat in Staphorst soms „kinderachtige” opmerkingen naar zijn hoofd geslingerd kreeg. „Daar loopt Duo Penotti, werd er dan gezegd, verwijzend naar de bruin-witte pasta voor op je brood. Nu kan ik er wel om lachen, maar toen vond ik zo’n grap vervelend. Gedraag je even volwassen, dacht ik dan. Extra pijnlijk is het als je zo’n opmerking krijgt van mensen die je zondags tegenkomt in de kerk.”

Toen politicus Pim Fortuyn medio 2000 populair was, begon de Staphorster hem wel even te knijpen. „Ik had toen nog geen geboorteakte. Gauw heb ik die toen aangevraagd, overigens ook met het oog op mijn huwelijk. Ik dacht: Stel je voor dat Fortuyn aan de macht komt en buitenlanders het land uit moeten. Dan wil ik wel mijn Nederlanderschap kunnen aantonen.”

Een enkele keer voelt Van Arnhem zich „staan” vanwege zijn donkere huidskleur. „Na de terreuraanslagen op de Twin Towers van 11 september 2001 in Amerika ging ik traditiegetrouw met Staphorster scholieren op Prinsjesdag naar Den Haag. De politie pikte mij eruit voor een controle. Kennelijk dacht de politie: Wat doet die donkere man daar tussen al die blanke kinderen? Ik moest door een scan en moest mijn identiteitspapieren laten zien. Ik kon mijn weg vervolgen, maar ik heb me toen wel ongemakkelijk gevoeld.”

De Staphorster kan begrijpen dat mensen verontwaardigd zijn over de gewelddadige dood van de zwarte Amerikaan George Floyd. „De arrestatie van die man is gruwelijk uit de hand gelopen.” Toch heeft Van Arnhem niks met demonstraties tegen racisme. „Ik erger me eraan. Zeker als relschoppers winkels leegplunderen. Moeten die demonstranten niet werken? Leven ze van een uitkering?”

Protesten tegen Zwarte Piet zijn niet aan Van Arnhem besteed. „Ik snap niet dat mensen over zo’n figuur uit een kinderfeest vallen. Laten ze zich druk maken over belangrijker zaken, zoals over christenvervolging in Noord-Korea.” Het neerhalen of bekladden van standbeelden van bijvoorbeeld omstreden zeehelden is de Staphorster een doorn in het oog. „Ik ben geneigd om in de zomervakantie een ererondje te maken langs standbeelden waarover nu discussie is. Die beelden horen bij onze historie. Het is belangrijk je geschiedenis te kennen. Heldendaden, maar ook het pijnlijke slavernijverleden. Ik besef natuurlijk dat iemand als J. P. Coen (VOC-kopstuk met een gewelddadige reputatie, JV) geen lieverdje was.”

Woensdag een interview met de in Libanon geboren ds. R. de Jong uit Urk