Boswachter van Horsterwold: Natuur zoals natuur moet zijn

25 jaar Flevoland
Een wandelaar (r.) spreekt boswachter Egbert van Wijhe aan tijdens diens ronde door het Horsterwold. Het bos bij Zeewolde wordt steeds natuurlijker en gevarieerder door houtkap en stormen en door herinplant met allerlei verschillende soorten loofbomen. Fo

ZEEWOLDE – Nu inventariseert hij dieren en planten in een steeds natuurlijker uitziend Horsterwold, maar zo’n veertig jaar geleden begon Egbert 
van Wijhe als leerling-bos­werker op dezelfde plek met het inplanten van duizenden 
jonge boompjes in lange rechte rijen.

Het Speulder- en Sprielderbos tussen Putten en Garderen trekt jaarlijks tienduizenden bezoekers. In de ogen van Nederlanders is het een bos zoals een bos moet zijn: met veel oude, kromme beuken en statige, rechte sparren. Hemelsbreed nog geen 10 kilometer verder naar het westen ligt het grootste loofbomenbos van West-Europa: het 4000 hectare tellende Horster­wold.

Boswachter Van Wijhe: „De echte natuurliefhebbers komen liever in het Horsterwold dan op de Veluwe. Het Horsterwold is bijvoorbeeld een eldorado voor tientallen verschillende soorten zangvogels die je op de Veluwe amper ziet.”

Wie langs het Flevolandse bos rijdt, bijvoorbeeld om een file op de A1 te ontwijken, ziet aan de buitenkant een lange rechte rij populieren langs een lange rechte sloot: het stereotiepe beeld van een polderbos. Saai op het eerste gezicht. Totdat boswachter van het eerste uur Egbert van Wijhe zijn bezoeker meeneemt naar de mooiste plekjes van het Horsterwold.

Vanuit de Veluwe gezien begint het Horsterwold bij de voorlanden, de strook groen tussen het Nuldernauw en de dijk. De rietkraag is er breed. In het ondiepe water van het randmeer zijn eilandjes te zien. Een zilverreiger staat er wat dromerig voor zich uit te kijken. „Deze eilandjes moeten op den duur stapstenen worden voor dieren die vanuit het Horsterwold naar de Veluwe willen oversteken”, zegt Van Wijhe. „De edelherten zijn er nog niet, maar we hebben al wel reeën zien oversteken.”

Van Wijhe stuurt zijn terrein­wagen door het recreatieve gedeelte van het bos, een strook van zo’n 2 kilometer achter de dijk langs het Nuldernauw. „Het Horsterwold bestaat uit drie delen: een strook die vooral bedoeld is voor recreatie, een gedeelte dat vooral productiebos is en de Stille Kern, waar de natuur haar gang mag gaan.”

In het recreatiebos is goed te zien dat Staats­bosbeheer de laatste jaren bezig is om de rechte lijnen in het polderbos te doorbreken. Zo is er een meertje gegraven met een eilandje erin. Het uitge­graven zand is gebruikt om wat heuveltjes langs de waterpartij te maken. Een wandelaar die er zijn hondje uitlaat, schiet Van Wijhe aan om te melden dat er ergens een slagboom kapot is.

Ook het bos zelf krijgt een steeds natuurlijker aanblik. Van Wijhe: „De zogenaamde stakenfase is voorbij. De bomen worden ouder. Veel populieren maken plaats voor andere soorten zoals eiken en essen. Er komen meer struiken en meer ondergroei, kortom er ontstaat een meer gevarieerd bos.”

Het productiebos van het Horster­wold wordt voor Staatsbosbeheer steeds belangrijker omdat het staatsbedrijf steeds minder geld van het Rijk krijgt. „Zo’n 90 procent van het hout dat Nederland nodig heeft, komt uit het buitenland”, zegt Van Wijhe. „Het was ooit de bedoeling dat dit percentage naar 75 zou gaan. Maar veel Nederlanders vinden het niet leuk als er in ‘hun’ bos bomen worden gekapt. Hier kan het volop, er heeft niemand last van. En door de vruchtbare kleibodem groeien de bomen sneller.”

Het mooiste gedeelte van het Horsterwold vindt Van Wijhe de Stille Kern, een gebied van 900 hectare waar de natuur haar gang kan gaan. Staand op een splinternieuwe uitkijkheuvel geniet de boswachter zichtbaar van het panorama. „Zo schijnt Nederland er in de prehistorie uitgezien te hebben: een halfopen plasdraslandschap waar wat grote dieren in lopen en waar de mens maar af en toe in rondstruint.”

Staatsbosbeheer is bezig om een strook dwars door het Horster­wold er zo uit te laten zien. Van Wijhe: „We hopen dat over ongeveer tien jaar het Oostvaarderswold klaar is, de verbinding tussen de Oostvaarders­plassen en het Horster­wold. Dan moeten de grote grazers 
zoals edelherten en koniks­paarden hier voldoende gras vinden.”

Volgend jaar komen er bij wijze van proef al veertig koniks­ naar het Horsterwold. Daarom laat Staatsbosbeheer momenteel een hoog raster aanleggen om het bos.

Van Wijhe vindt het een goede zaak dat de grote grazers uit de Oostvaardersplassen meer leefruimte krijgen. „Robuuste natuur is goed voor de dieren en voor de portemonnee. Als we op allerlei eilandjes de soorten in stand moeten houden, kost dat enorm veel geld. Als we die eilandjes kunnen vergroten of met elkaar kunnen verbinden, kunnen die soorten zichzelf veel beter handhaven.”

Dit is het derde artikel in een serie over 25 jaar Flevoland. Lees hier het eerste en tweede deel van de serie.