Pinksteren: feest van de drie-eenheid

„Wat bij het lezen van Irenaeus en zijn tijdgenoten opvalt, is de samenhang tussen de Vader, de Zoon, de Geest en de kerk. Oudkerkelijke theologen zien deze vier niet los van elkaar.” beeld iStock

Het grootste deel van de wereldwijde kerk herdenkt zondag de uitstorting van de Heilige Geest. Vervuld met de Heilige Geest getuigen Jezus’ discipelen in Jeruzalem van Gods daden. Petrus legt de toegestroomde menigte uit dat de uitstorting van de Heilige Geest een direct gevolg is van Jezus’ verhoging door Zijn Vader.

De Vroege Kerk legde een nauw verband tussen Pinksteren en de leer van de drie-eenheid. Om die reden heette al snel in de kerkelijke traditie de zondag na Pinksteren Trinitatis of Drievuldigheidszondag. Deze naam is afgeleid van het woord triniteit; drie-eenheid.

De Vader, de Zoon en de Heilige Geest hebben elkaar verheerlijkt in en door de gelovigen in Jeruzalem. Gods heerlijkheid overweldigde hen, waardoor zij zich verheugden in de drie-enige God.

Het gelovig kennen van de Vader, de Zoon en de Geest leidt tot deze vreugde in God. Als vanzelf brengt deze geloofskennis tot theologische bezinning op de onderlinge relaties tussen de Vader, de Zoon en de Geest en tot de vraag hoe een Ieder van deze Drie zich verhoudt tot de kerk en haar lidmaten.

Trias

Deze bezinning begint al in de nieuwtestamentische brieven en krijgt haar vervolg in de vroegchristelijke literatuur. Al in de tweede eeuw bezigt Theophilus van Antiochië de uitdrukking drie (”trias”), wanneer hij schrijft dat „de eerste drie scheppingsdagen als beelden van de trias zijn, namelijk van de Vader en van Zijn Logos en van Zijn Wijsheid.” Al snel na hem burgert het woord trias in als een omlijnd begrip in vroegchristelijke werken. Deze term levert een belangrijke bijdrage aan de verdere ontwikkeling van de leer van de drie-eenheid.

Naast hem heeft ook Irenaeus van Lyon belangrijke aanzetten gegeven voor de ontwikkeling van de leer van de triniteit, bijvoorbeeld door de volgende uitspraak: „De Vader zond Zijn Zoon, Die in Zijn menselijk bestaan de Heilige Geest als de dauw heeft ontvangen, en Die geschonken heeft aan Zijn kerk.”

Uiteindelijk mondde de theologische bezinning op de leer van de drie-eenheid uit in de bekende formulering van Athanasius van Alexandrië: ”één God, drie Personen.”

Wat bij het lezen van Irenaeus en zijn tijdgenoten opvalt, is de samenhang tussen de Vader, de Zoon, de Geest en de kerk. Oudkerkelijke theologen zien deze vier niet los van elkaar. Vader, Zoon en Geest zijn door Hun onderscheiden werkingen gericht op Christus’ gemeente. De gelovigen op hun beurt aanbidden deze Drie, Die één zijn, en ondervinden Hun werkingen in hun hart.

Soms gebruiken deze theologen voor de Zoon en de Geest dezelfde naam. Theophilus van Antiochië en Irenaeus noemen de Heilige Geest en de Zoon regelmatig de Wijsheid. Toch vereenzelvigen zij de Zoon en de Geest niet, maar ze maken onderscheid tussen de Vader, de Zoon en de Geest. Dat doen zij aan de hand van de verschillende werkingen van de Vader, de Zoon en de Geest in de harten van de gelovigen.

Hefboom

Om de onderlinge samenhang en het onderscheid tussen deze Drie te verduidelijken, maken deze vroegchristelijke leiders gebruik van verschillende voorbeelden. Zo is volgens Ignatius van Antiochië God de Vader een gebouw, Christus’ kruis de hefboom die stenen (christenen) omhoogtakelt om die in dit gebouw te voegen en is de Geest het touw waarmee elke steen (christen) aan de hefboom (Christus’ kruis) vastgebonden is en omhooggehesen wordt. Gebouw, hijskraan en kabel staan voor Vader, Zoon en Geest. Zij voltooien samen de bouw van de kerk, het gebouw van God.

Dit voorbeeld roept ook bij Bijbellezers aan het begin van de 21e eeuw herkenning op, omdat het hen herinnert aan een passage uit de eerste brief van Petrus (1 Petrus 2:1-10). Daar zet de apostel uiteen hoe de drie-enige God de gelovigen als levende stenen voegt in Zijn gebouw. Petrus op zijn beurt heeft dit motief ontleend aan zijn Meester, Die vlak voor Zijn sterven met behulp van Psalm 118 de beelden van een gebouw en de uitverkoren hoeksteen op Zichzelf toepaste (Mattheüs 21:42).

Melk

Het volgende citaat staat vermoedelijk verder weg bij de meeste hedendaagse lezers: „Een beker melk werd mij aangereikt, en ik dronk daaruit de zoetheid van de barmhartigheid van de Heer. De Zoon is de beker, en Hij Die melk gaf, de Vader. Degene Die Hem gemolken heeft, de Heilige Geest. Omdat Zijn borsten vol waren en het ongewenst zou zijn dat Zijn melk vermorst werd, heeft de Heilige Geest Zijn boezem geopend en de melk van de twee borsten van de Vader met elkaar gemengd.”

Dit citaat komt uit ”De Oden van Salomo” (19.1-4), een populaire liederenbundel uit dezelfde tijd. De anonieme auteur vergelijkt het werk van God de Vader met de borsten van een moeder en het werk van de Zoon met een beker. De Heilige Geest reikt deze beker met melk de gelovigen aan, die in Gods liefde dronken worden. Clemens van Alexandrië, een tijdgenoot van deze anonieme auteur, maakt in een van zijn geschriften dezelfde vergelijking.

Het beeld van moedermelk herinnert aan Petrus’ oproep om als nieuwgeboren kinderen zeer begerig te zijn naar de redelijke en onvervalste melk (1 Petrus 2:2). Maar vermoedelijk fronst menig lezer de wenkbrauwen bij het lezen van God de Vader Die Zijn kinderen met melk uit Zijn borsten voedt.

Aanbidden

Kerk en theologie aan het begin van de 21e eeuw rusten op het fundament van de Vroege Kerk. Het ijken van begrippen en formuleringen toentertijd om te kunnen belijden Wie de drie-enige God is en hoe deze God gekend en aanbeden wordt, is vrucht van Pinksteren.

Met hun theologisch bedrijf wilden de kerkvaders de kerk bewegen tot het aanbidden van de drie-enige God. Een intens verlangen om samen met alle heiligen deze ene God, Vader, Zoon en Geest, volkomen te kennen en van hun onderscheiden werkingen te genieten, dreef hen rusteloos. Dat verlangen bracht hen tot een klassiek geworden uitspraak uit de Vroege Kerk die voor kerk en theologie vandaag nog steeds leidend is: „De drie-enige God is niet te begrijpen; Hij is enkel te aanbidden!”