Straatorgelcultuur wordt officieel erfgoed

beeld RD, Anton Dommerholt

Op vrijdag 4 oktober zal in Museum Speelklok te Utrecht de officiële bijschrijving plaatsvinden van de Nederlandse straatorgelcultuur in de Inventaris Immaterieel Erfgoed Nederland.

Het gaat daarbij niet om het draaiorgel zelf, maar om wat de orgelman of -vrouw ermee doet: de exploitatie. De gemeenschap van orgeldraaiers, bouwers, draaiorgel-muziekarrangeurs en decorateurs hebben de handen ineen geslagen om het oer-Hollandse uitbaten van het straatorgel toekomstbestendig te maken. Ze gaan onder meer gezamenlijk bekijken of het verdienmodel van de orgelman kan worden herzien.

Voorbeelden van immaterieel erfgoed dat al eerder werd bijgeschreven in de Inventaris zijn het Ambacht van molenaar, het sinterklaasfeest, het vuurwerk bij de jaarwisseling, het Friese fierljeppen, het Gronings Ontzet, alsmede de Circus- en Woonwagencultuur.

De traditie van het straatorgel begon in Nederland toen in 1875 de uit België afkomstige Leon Warnies in Amsterdam het eerste draaiorgelverhuurbedrijf startte. Hier kon men per week, maand of soms zelfs per dag een draaiorgel huren waarmee men de wijken doorging om geld in te zamelen. Met name in het begin van de vorige eeuw was het draaiorgel in de grote steden ongekend populair. In Amsterdam speelden maar liefst 40 orgeldraaiers!

Er was in die tijd geen opgenomen muziek in huis, geen radio of grammofoon. Het orgel bracht de vrolijkheid naar de mensen. Het draaiorgelverhuurbedrijf van Gijs Perlee was het meest bekend, onder meer doordat deze Amsterdamse firma de beroemde ‘Arabier’ in de verhuur had.

Tegenwoordig zijn de draaiorgels veelal in het bezit van de orgelmannen zelf en zijn er geen actieve verhuurbedrijven meer. Draaiorgel ‘de Arabier’ maakt inmiddels onderdeel uit van de collectie van Museum Speelklok.

museumspeelklok.nl