Recensie: Boek over de muziek van de liefhebber

Grootse uitvoering van een gelegenheidscantate in de Utrechtse Jacobikerk, juni 1836. beeld Het Utrechts Archief
2

Je zou haast vergeten dat de 19e-eeuwse muziekgeschiedenis zich ook afspeelde buiten de kamertjes van eenzame componisten en de wereldberoemde concertzalen in de hoofdsteden, en buiten de blik van kritische kenners. In de nieuwste publicatie van musicoloog Jeroen van Gessel draait het eens een keer om de liefhebber.

Want wat vonden de liefhebbers van muziek die ze maakten en de concerten die ze bijwoonden? En op welke wijze maakten deze muzikale activiteiten onderdeel uit van het dagelijkse leven? Van Gessel, docent muziekwetenschap aan de Rijksuniversiteit Groningen, doet in dit waardevolle boek een poging om de muzikale beleving van de 19e-eeuwse Nederlander te reconstrueren. Hij doet dat op basis van persoonlijke documenten: dagboeken, brieven van onder andere een baron uit Roermond, een ambtenaar uit Zeist en een student medicijnen uit Leeuwarden. Wat blijkt? Het Nederlandse muziekleven in de 19de eeuw was bepaald niet suf en ingezonken, zoals vaak wordt gedacht. Onderschat en verdrongen, dat wel.

Om de Nederlandse identiteit te onderstrepen werden tijdens de nationalistische 19de eeuw de oude meesters weer van stal gehaald. In eerste instantie vooral Orlandus Lassus (1532-1594), maar hij bleek na de afscheiding van de zuidelijke provincies in 1830 opeens een Belg te zijn. De nieuwe icoon werd vervolgens Jan Pieterszoon Sweelinck (1562-1621). Het Nederlandse publiek reageerde aanvankelijk wat onwennig, maar de nationale trots maakte dat de muziek als waardevol werd gezien.

Tot de grootste samenscholingen in de 19de eeuw behoren de meerdaagse muziekfeesten en herdenkingen. De evenementen, met veel vertoon georganiseerd, boden podium aan megakoren en -orkesten, die vooral grote gelegenheidscantates uitvoerden. De manifestaties brachten hartstochtelijke muziekliefhebbers op de been, maar trokken ook mensen die „de Messiah eigenlijk nogal zware kost vonden.”

Het samen musiceren vormde volgens Van Gessel de hoeksteen van het muziekleven, maar dat werd bij voorkeur wel in het juiste gezelschap gedaan. Baron Michiels van Kessenich uit Roermond vond het maar niets dat edelen en burgers samen musiceerden. Het gezamenlijk onderwerpen aan de muziek bood de adel geen gelegenheid zijn autoriteit te laten gelden.

In 1870 vond in Rotterdam de Nederlandse première van Bachs Matthäus Passion plaats. Ook al vond men Bachs muziek aanvankelijk saai en mathematisch, een langzame maar gestage verspreiding volgde. De muziek werd uitgevoerd in een versie zonder aria’s, die men tijdgebonden en achterhaald vond. Wat overbleef was een stuk dat bijna volledig uit Bijbelteksten bestond. Op deze wijze werd de lutherse Bach getransformeerd tot calvinist. En daarmee kon het Nederlandse concertpubliek uitstekend uit de voeten.

Muziek beleven in het negentiende-eeuwse Nederland, Jeroen van Gessel; uitg. IJzer; 253 blz.; € 25,-