Organisten leren zingen op orgel- en samenzangdag VOGG

Zo'n 250 organisten met aanhang woonden zaterdag de zeventiende landelijke orgel- en samenzangdag van de VOGG bij, in de Utrechtse Jacobikerk. beeld Erik Kottier
12

Uit alle delen van het land waren ze zaterdag naar Utrecht getogen. Zo’n 250 organisten met aanhang woonden in de Jacobikerk de zeventiende landelijke orgel- en samenzangdag van de Vereniging Organisten Gereformeerde Gemeenten (VOGG) bij. In het imposante godshuis zongen ze psalmen en luisterden ze naar muziek.

De opening van de dag tond in het teken van de in januari overleden Paul Wols. Veertig jaar maakte hij deel uit van het hoofdbestuur van de VOGG, waarvan twintig jaar als voorzitter.

Drie variaties over Psalm 66 van Wols’ hand uit de VOGG-bundel 1996 bracht Gerrit Chr. de Gier op het Jacobiorgel ten gehore. In twee coupletten werden de „schoonste psalmen aangeheven, gezangen, die Uw Naam verhogen.” „Hij wil ons” –in tegenstelling tot oud-voorzitter Wols– „in het leven sparen.”

Het tiende vers van Psalm 66, „God zij altoos op ’t hoogste geprezen”, vertolkte ook Johann Ludwig Krebs, met zijn Fantasia sopra ”Freu dich sehr, o meine Seele”. Zaterdag werd deze compositie onnavolgbaar tot klinken gebracht door De Gier, Gerard de Wit en Johanneke de Wit, blokfluit.

Carillons

De eeuwen door, van tabernakel tot in tempel en synagoge, hebben de psalmen geklonken, stelde dr. Jaco van der Knijff, muziekredacteur bij het Reformatorisch Dagblad. De melodieën klonken in kerken en op carillons. Ook Jezus zong ze, op weg naar de Olijfberg. Paulus spreekt over het zingen van psalmen, lofzangen en geestelijke liederen.

De reformatoren Luther en Calvijn gingen eveneens met de psalmen aan de slag. In de Jacobikerk klonken de Psalmen 12 en 103 op lutherse teksten in bewerkingen van Hanff en Buxtehude. Dat volgens Chiel Jan van Hofwegen, oud-voorzitter van de VOGG, de variaties over Psalm 116 van Anthonie van Noordt naadloos aansluiten bij de praktijk binnen de Gereformeerde Gemeenten, geldt ongetwijfeld voor de laatste variaties. Bij de eerste paar variaties voeren bij mij de twijfels de boventoon of deze in de praktijk van de GG toepasbaar zijn.

Johanneke de Wit liet de blokfluitvariaties van Jacob van Eyck aan die van Van Noordt voorafgaan. De samenzang van Psalm 116 in de zetting van Claude le Jeune stond isometrisch geprogrammeerd. Omdat Gerard de Wit hier echter geen erg in had, werd de psalm ritmisch gezongen.

Gezangen

De psalmen hebben in onze traditie het alleenrecht, aldus Van der Knijff. Toch zijn er ook altijd enkele gezangen aan de psalmen toegevoegd. Het Utrechts Psalter uit de negende eeuw bijvoorbeeld kende al zestien gezangteksten. Ook in alle psalmbundels in de zestiende en zeventiende eeuw was een aantal gezangen te vinden.

De Dordtse Synode keurde alleen de zeven gezangen in het eerste psalmboek van Petrus Datheen goed, maar de drukkers voegden er steeds nieuwe aan toe. Uiteindelijk werden het er dertien. Die werden door de staat in 1773 gecanoniseerd – al haalde het Eigen Geschrift Davids de psalmboeken toch niet.

De gezangen zijn volgens Van der Knijff altijd een ongemakkelijke erfenis geweest. In De Saambinder, het orgaan van de Gereformeerde Gemeenten, werden ze eens bestempeld als gezangen die een „gewoonterecht” hebben verkregen. Wat Van der Knijff betreft, vormen de gezangen „een mooie traditie.”

Zingen geleerd

Halverwege de zeventiende en eind achttiende eeuw moet het psalmzingen erbarmelijk geweest zijn, zei Van der Knijff. Volgens hem heeft tot in de negentiende eeuw op veel plaatsen de voorzanger de gemeente geleid.

Van der Knijff fungeerde zaterdag bij Psalm 12 als voorzanger. De goegemeente moest hem regel voor regel volgen. Een hilarische onderneming. Dezelfde psalm, ritmisch gezongen in de berijming van Datheen in zettingen van Van Blankenbrug en Hurlebusch, riep de vraag op of Datheen het ritmisch zingen wel verdroeg.

Of de psalmen ooit vierstemmig in de kerk gezongen zijn wordt vaak betwijfeld, stelde Van der Knijff. Niettemin verscheen er in de 17e en 18e eeuw een vierstemmenboek, dat recent opnieuw werd uitgegeven.

Gerard de Wit repeteerde met de 250 aanwezigen het meerstemmig zingen van Psalm 134 in de zetting van Claude Goudimel. Met de nodige aanwijzingen leverde dit een professioneel resultaat op. „Gewend om massaal te zingen moet u de uitspraak van de tekst transparant maken”, doceerde De Wit.

Met een weergaloze improvisatie over Psalm 72, gevolgd door de verzen 10 en 11, werd de morgenbijeenkomst besloten.

VOGG-bundel

’s Middags presenteerde Pim Mellegers de 27e VOGG-bundel 2018. Het eerste exemplaar werd overhandigd aan de zoon van de in 1991 overleden Nico van den Hooven. Van zijn hand zijn de Psalmen 84 en 16 in de bundel opgenomen. Gerrit Chr. de Gier speelde Psalm 16.

Gerard de Wit liet de presentatie van de bundel voorafgaan met zijn bewerking over Psalm 148. In de toelichting op zijn vijf variaties gaf hij aan dat hem weleens verweten wordt dat hij technisch moeilijk schrijft. „Dat zal ik niet ontkennen, maar het is moeilijk om makkelijk te schrijven.” Dat bleek ook wel toen de VOGG’ers ze te horen kregen. Of ze op zondag in een gemiddelde gg zullen klinken? Met zijn aanstekelijke manier van begeleiden stonden de vijf coupletten in elk geval als een huis.

Niettemin streeft de muziekcommissie van de VOGG naar compositorische topkwaliteit, een behapbaar speelniveau, voor de gemiddelde kerkganger behapbaar en voor elk wat wils.

Cor Kee

Ten slotte konden de aanwezigen genieten van orgelmuziek uit de barok, de negentiende en de twintigste eeuw. Opmerkelijk dat na Den 33sten Psalm van Cor Kee de stevige orgelbegeleiding in beide coupletten de spontane massale samenzang soms wat afremde.

De dag werd besloten met het koraal uit Bachs Cantate ”Meine Seufzer, meine Tränen” in de vierhandige bewerking van Sybolt de Jong, gevolgd door de vierhandige bewerkte orgelbegeleiding van Psalm 42 vers 5 en 7 door Gerard de Wit. Met de slotregel van vers 7, „Ik zal God, mijn God, nog loven”, togen de organisten vanuit de Utrechtse Jacobikerk de zondag tegemoet.