Organist Stef Tuinstra legt zijn oor te luisteren bij zangers

Stef Tuinstra. beeld Sjaak Verboom

Hij wilde concertpianist worden en had weinig met orgels. Stef Tuinstra (63) hoorde als 9-jarige een Bachfuga spelen en snapte niets van die orgelmuziek. „Het was één brij van geluid. Ik besloot toen het orgel nooit met één vinger aan te raken.” Toch ging de Groninger later overstag. Dit jaar was hij 25 jaar organist van de Nieuwe Kerk in Groningen én kreeg hij een aanstelling in de Martinikerk in deze stad.

Het gebeurt nog altijd, zegt Stef Tuinstra. „Muziekliefhebbers keren zich af van het orgel. Als gevolg van beroerd amateurspel, maar ook omdat ze bijvoorbeeld Bachs Passacaglia helemaal in een plenumregistratie horen spelen. Zo’n muur van geluid, een kwartier lang, schrikt af. Een orkest speelt nooit vijftien minuten achter elkaar fortissimo. Hooguit zes minuten, langer houden orkestleden dit fysiek niet vol.”

Tuinstra

Dat Tuinstra uiteindelijk toch het orgel omarmde, had diverse redenen. „De organist in onze woonplaats, het Groningse Hoogkerk, keek vaak te diep in het glaasje en kwam dan op zondag niet opdagen. Toen het weer eens zover was, gaf mijn vader me een zetje en zei: Ga jij maar. Ik was toen 13. Daarna viel ik vaker in. In die tijd kreeg ik door dat je als pianist buitengewoon excellent moet zijn om te kunnen slagen. Daarnaast adviseerden mensen uit mijn omgeving mij om orgelles te nemen.”

1. Ik had als kind nauwelijks tijd om buiten te spelen.

„Ik kreeg vanaf mijn zesde piano- en vanaf mijn negende trompetles. Later werd dat trombone. Daar kwamen op mijn veertiende orgellessen bij. Ik had geen hekel aan studeren en maakte mij nieuwe muziek snel eigen. Dat bleek een valkuil, want ik liet de finishing touch vaak zitten. Aan buiten spelen had ik weinig behoefte. Ik was een huismus en zat graag op zolder met mijn treintjes te spelen. Mijn moeder, een goede amateurzangeres, stuurde mij wel naar buiten als het mooi weer was.”

2. Ik zou graag eens een jaartje trombone spelen in een orkest.

„Dan moet ik hard gaan studeren, want mijn trombone ligt al zo’n twintig jaar in de kast. Toen ik het erg druk kreeg met mijn orgeladvieswerk en daarnaast onder andere een concertkoor in Groningen dirigeerde, moest ik kiezen en heb ik de trombone laten vallen. Overigens viel ik in het verleden af en toe in bij het Noord Nederlands Orkest. Mijn broer Luuk is jarenlang trombonist geweest in de omroeporkesten. Dat ik als kind ook trombone speelde, is vanzelf gegaan. Luuk en ik werden lid van de fanfarekorpsen in Slochteren en Uithuizen, die mijn vader dirigeerde.”

3. Er gaat niets boven Groningen.

„Van origine ben ik een Fries. Mijn ouders verhuisden naar Groningen omdat mijn vader een baan als fluitist kon krijgen in de Groninger Orkest Vereniging, het huidige Noord Nederlands Orkest. Als kind kwam ik regelmatig bij mijn oom en tante Elgersma, die een boerderij in het Friese dorpje Schraard hadden. Ik houd van het Friese platteland, want het oogt nog weidser dan het Groningse land. Tegelijkertijd waardeer ik de Groningse nuchterheid: doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg.”

4. Met de benoeming in de Groningse Martinikerk kwam een droom uit.

„Natuurlijk ben ik blij dat ik samen met Sietze de Vries benoemd ben als kerkorganist van de Martinikerk. Om de beurt spelen we tijdens de ochtendienst van de Martini-wijkgemeente. Toch heb ik lang nagedacht over de vraag of ik wel moest solliciteren als Wim van Beek zou stoppen. Dat ik toch heb geschreven, hoewel ik 63 ben, komt vooral door het orgel. Op dit fantastische drieklaviers instrument met zijn barokke klank voel ik mij als een vis in het water. Het orgel wordt wereldwijd gezien als een van de mooiste instrumenten in Europa. Ik geniet daarnaast ook enorm van ‘mijn’ orgel in de Nieuwe Kerk in Groningen. Dit drieklaviers instrument van Timpe kwam in 1831 gereed. Het was de tijd van het classicisme en dat hoor je. Op dit moment wordt al het pijpwerk geherïntoneerd door Mense Ruiter. De winddruk is verhoogd naar de situatie van 1860. De klank is nu verfijnd, zangrijk en stralend. Het orgel klinkt fraaier dan ooit.”

5. De lofzang gaande houden is het mooiste wat er is.

„Als organist geef je het Woord meer inhoud. De tekst is voor mij leidend. Elk vers begeleid ik anders qua registratie. Een blijde tekst speel ik bovendien een fractie sneller, terwijl ik bij een ingetogen inhoud een iets rustiger tempo kies. Boosheid kan verklankt worden met wrange akkoorden en bijvoorbeeld tongwerken. Ik merk dat deze aanpak overkomt bij kerkmensen, want ik krijg vrijwel wekelijks reacties. Ik zie het als mijn plicht de mogelijkheden van het orgel uit te buiten. Het is verder een uitdaging om de gemeente goed te laten zingen. Ik vind het belangrijk dat daarbij een natuurlijke cadans ontstaat, waarbij mensen voldoende tijd krijgen om adem te halen. Een organist moet niet jakkeren.”

6. Ik improviseer graag, maar ik ga geen improvisatie-cd maken.

„Nee, laten improvisaties gewoon improvisaties blijven. Ik improviseer veel tijdens kerkdiensten en tijdens concerten. Daarbij hanteer ik stijlen zoals barok, romantiek, impressionisme of ik kies voor een eigentijdse aanpak. Ook in improvisaties hecht ik aan tekstuitbeelding en een daarbij horend tempo en toucher. Daarnaast zoek ik naar mooie, stilistisch zo goed mogelijk passende melodielijnen en omspelingen.”

7. Bachs orgelmuziek komt pas echt tot haar recht met een orkestrale benadering.

„Een orkestrale benadering betekent dat je als organist aandacht geeft aan alle melodielijnen die je in een muziekstuk tegenkomt. Carl Philipp Emanuel Bach gaf toetsenisten in de achttiende eeuw in zijn boek ”Versuch über die wahre Art das Clavier zu spielen” de tip om naar meesterzangers te luisteren en hun voorbeeld te volgen. Een zanger denkt van nature na over de teksten die hij moet zingen. Hij noteert onder andere in zijn partituur de plekken waar hij adem wil halen en zoekt naar woorden waar hij iets langer bij stil wil staan. Dat laatste is ook in de orkestwereld gebruikelijk en voelt natuurlijk aan. Die benadering mis ik bij veel organisten. Ze spelen vaak te vlak en te motorisch. Als ze meer aandacht aan expressie en aan een meer gelaagde meerstemmige frasering zouden geven, zou hun spel bezonkener en gevarieerder qua tempo worden. Musici moeten zich vrijheden durven veroorloven. Zonder erin door te slaan, want dan verdwijnt de cadans en bestaat de kans dat luisteraars zeeziek worden. Johann Sebastian Bach schreef in zijn ”Inventionen” ook dat klavierspelers cantabel –als een zanger– moeten denken. Van zijn eigen spel is bekend dat het doorzichtig klonk en vloeiend en poëtisch was.”

8. Mijn visie op het orgelspel vindt soms weinig weerklank.

„In een groot artikel heb ik jaren geleden aan de hand van oude bronnen aangeven dat Bachs Passacaglia niet in één registratie uitgevoerd moet worden. Het belang van de Bijbeltekst en de 17e-eeuwse uitleg ervan illustreerde ik ooit in een verhaal over Reinckens koraalfantasie ”An Wasserflüssen Babylon”, Psalm 137. Ik kreeg nauwelijks respons op die bijdragen. Veel collega’s vinden mij maar een vreemde vogel. Misschien loop ik te ver voor de troepen uit. De laatste tijd lijkt er meer waardering voor de orkestrale aanpak te komen, mede naar aanleiding van mijn cd’s met de orgelwerken van Böhm. Ik vind het fijn om mijn visie door te geven aan de leerlingen van mijn Noord Nederlandse Orgelacademie. Nadat ze enkele goede en gerichte tips hebben gekregen, spelen ze vaak meteen al veel beter.”

9. Orgeladviseur zijn is mooi werk.

„Ik vind het heel belangrijk om in archieven te duiken en het is mijn passie om samen met orgelmakers diepgaand na te denken over restauratie en klankvorming. Tijdens de conservatoriumstudie zei mijn docent Wim van Beek al dat ik meer orgel moest gaan spelen en mij wat minder moest verdiepen in de orgelbouw – de wereld achter de toetsen. Mijn interesse in orgelbouw stamt dus al uit die tijd.”

10. Ik heb nog genoeg dromen.

„Ik zou graag alle orgelwerken van de Franse barokcomponist Nicolas de Grigny opnemen. Dat is verfijnde muziek van topniveau, die optimaal tot haar recht komt op Franse barokorgels met hun fluwelen prestanten en felle tongwerken. Een droom is eveneens de opname van Bachs ”Dritter Theil der Clavier Übung” op een van de orgels van de Amerikaan Paul Fritts. Hij bouwt fantastische instrumenten naar historische voorbeelden. Mocht ik niet meer kunnen orgelspelen, dan ga ik een boek schrijven over de orgelbouw in Groningen in de 17e eeuw. Die tijd fascineert me.”

In Staccato reageren muzikanten op tien stellingen. Volgende aflevering: zaterdag 20 januari.

Levensloop Stef Tuinstra

Stef Tuinstra werd in 1954 geboren in Groningen. Hij studeerde orgel aan het Prins Claus Conservatorium bij Wim van Beek en behaalde er cum laude zijn masterdiploma. Aan hetzelfde instituut deed hij de bijvakken piano en trombone en nam hij klavecimbellessen. Na zijn conservatoriumtijd stak Tuinstra zijn licht op bij Gustav Leonhardt en was hij deelnemer aan diverse meestercursussen. In 1978 behaalde hij het diploma kerkmuziek en koordirectie. In 1979 verwierf hij de Prix d’Excellence. In 1980 won hij de koraalprijs op het Nationaal Improvisatie Concours in Bolsward.

Tuinsta is organist van de Nieuwe Kerk te Groningen en werd dit jaar samen met Sietze de Vries benoemd als organist van de Martinigemeente in Groningen. Hij is lid van het College van Orgeladviseurs in Nederland en begeleidde al meer dan honderdveertig orgelrestauratieprojecten. In 1992 richtte hij de Noord Nederlandse Orgelacademie op. Hij geeft daar orgel-, klavecimbel- en pianolessen en doceert improvisatie, gemeentezangbegeleiding en orgelbouw.

Tuinstra geeft wereldwijd concerten en masterclasses. Hij maakte diverse cd’s, onder andere met alle orgelwerken van Böhm. Tuinstra woont in het Groningse Bedum en heeft twee dochters. Hij geeft af en toe concerten met zijn dochter Gerdine, die zang studeerde.