Fransman Olivier Latry: Elk orgel vertelt hoe het bespeeld moet worden

Staccato
De Franse organist Olivier Latry. Beeld RD, Henk Visscher Henk Visscher

Hij wordt gezien als een alleseter en een alleskunner: Olivier Latry. De organist van de Notre-Dame in Parijs is naar eigen zeggen een generalist. Kiezen voor één orgeltype of één componist wil hij niet. „Elk orgel vertelt je hoe en wat je spelen moet.”

Ook deze zomer was Olivier Latry (52) weer van de partij tijdens het internationaal orgelfestival in Haarlem. Hij verzorgde masterclasses over de Frans-romantische muziek en speelde samen met Ton Koopman het jubileumconcert ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan van het festival. Voor een volle Bavo –1200 luisteraars– vertolkte Latry op het Müllerorgel met verve twee 20e-eeuwse Franse werken: ”Litanies” van Alain en ”L’Ascension” van Messiaen.

Als 19-jarige kwam Latry voor het eerst in Nederland, vertelt hij. „Dat was in het Brabantse Heeswijk. Ik had les van Gaston Litaize, en die regelde concerten voor zijn leerlingen. Soms moest hij zelf ergens een concert geven, maar belde dan drie weken van tevoren dat hij niet kon komen en een vervanger zou sturen. Dan moest ik daar zijn programma gaan spelen. Zo hielp hij je in je carrière.”

1. Muziek nam al vroeg in mijn leven een grote plaats in.

„Altijd. Ik kan me niet herinneren dat er geen muziek was. Ik had een klein pianootje waarop ik in de speeltuin zat te spelen. Toen was ik 5. Andere mensen vonden dat ik op pianoles moest. Het orgel kende ik alleen van de zondagse kerkdienst. Toen ik 12 was vroeg een vriend van mijn broer of ik tijdens zijn bruiloft orgel wilde spelen. Hoewel ik niets van het instrument wist, ging het goed. Toen besloot ik ook orgel te gaan studeren. Op m’n 16e maakte ik definitief de overstap naar het orgel. Het is namelijk heel moeilijk om zowel op piano als op orgel een hoog niveau te bereiken. Pianospelen doe ik alleen nog voor m’n plezier.”

2. Toen ik op 23-jarige leeftijd benoemd werd als organist van de Notre-Dame, ging een jongensdroom in vervulling.

„Helemaal niet. Ik kende het orgel wel, want ik beluisterde opnamen van Pierre Cochereau, die er sinds 1955 titulair organist was. Maar dat ik er zelf organist zou worden, kwam niet in me op. Ik speelde vooral de Franse klassieke muziek van componisten als Grigny en Couperin. Veel Buxtehude en Bach ook, echte barokmuziek. Ik hield helemaal niet zo van de Frans-symfonische muziek die je op het enorme Cavaillé-Collorgel van de Notre-Dame moet spelen. Toen Cochereau in 1984 overleed, kwam de post vrij. Ik dacht: Als een van de andere Parijse organisten naar de Notre-Dame gaat, kan ik misschien naar de kerk die dan vrijkomt, bijvoorbeeld de Madeleine. Toch deed ik mee met het proefspel voor de Notre-Dame. Tot mijn verbazing werd ik benoemd. Ik heb het er in het begin niet makkelijk gehad. Ik was er helemaal niet op voorbereid. Mensen wilden bijvoorbeeld graag dat ik Vierne en Widor speelde. Met dat repertoire was ik niet zo bezig. Ik heb twee jaar nodig gehad om in deze functie thuis te raken. Hoe dat nu is? Ik voel me heel gelukkig dat ik daar mag spelen. Het orgel is een van de meest muzikale instrumenten die ik ken. Ongelooflijk. Het is uniek in de wereld. Er is nog veel materiaal uit eerdere orgels, zodat je ook prima Couperin kunt spelen. Het orgel heeft m’n muzikale leven veranderd. Het is zó muzikaal. Het geeft me enorm veel inspiratie.”

3. Hollandse orgels zijn lastig voor een Fransman.

„Mechanische orgels hebben juist mijn voorkeur. Het zou mooi zijn als het orgel van de Notre-Dame ook mechanisch zou zijn. Aan elk orgel moet je je aanpassen, dat is waar. Maar dat vind ik juist mooi. Elk orgel moet je weer leren kennen, je moet er een relatie mee krijgen. Als je overal hetzelfde speelt, is het niet interessant wat je doet. Elk orgel vertelt wat je erop moet spelen en hoe je dat moet doen. Wat het mooiste orgel in Nederland is? Moeilijk te zeggen. Er zijn er zo veel. Alkmaar, Groningen, de Bavo in Haarlem. Toen ik daar in juli ”L’Ascension” van Messiaen speelde, verbaasde het me hoe goed dat ging. Er zit zo veel poëzie in dat stuk. Voor zulke muziek is het orgel helemaal niet gebouwd. Dat vraagt veel aanpassingen. Een zwelwerk moet je bijvoorbeeld zelf maken. Maar dat vind ik juist een uitdaging.”

4. Het is jammer dat Nederland maar weinig orgels in de stijl van Cavaillé-Coll heeft.

„Ik mis dat helemaal niet. Als je naar Italië gaat, wil je toch ook Italiaans eten, en geen Frans gerecht? Als ik naar een ander land ga, wil ik een ander orgel bespelen dan ik thuis heb. Dan moet je inderdaad wat anders spelen dan de grote Franse literatuur. Maar dat is geen probleem, er is repertoire genoeg. Soms vragen ze me tijdens de cursus in Haarlem om een symfonie van Widor te spelen. Ik speel echter veel liever wat bij een orgel past. Het is juist mooi om op andere plaatsen steeds weer andere muziek te spelen. Dat is een van de redenen waarom ik zo veel reis.”

5. Het festival in Haarlem is altijd weer een hoogtepunt.

„Ik vind het heel mooi om zo veel mensen te ontmoeten. Ik houd ervan om talentvolle organisten les te geven. Misschien nog wel interessanter vind ik de ontmoeting met collega’s, zoals deze keer Leo van Doeselaar en Lorenzo Ghielmi. Je leert ervan als je elkaar spreekt. Als je veel onderweg bent om concerten te geven, ben je eigenlijk veel alleen. Met het improvisatieconcours in Haarlem heb ik niet zo veel. Ik heb geloof ik één keer de finale bijgewoond en één keer in de jury gezeten. Maar ik houd er eigenlijk niet van. Ik geef veel liever les.”

6. ‘Haarlem’ laat zien dat het goed gaat met het orgel.

„Het gaat zeker goed met het orgel, maar het gaat wel een andere richting uit dan vroeger. Vijftig of twintig jaar geleden waren het vooral Europeanen en een paar Amerikanen die naar Haarlem kwamen. Nu zijn het vooral Aziaten: uit Japan, Korea en vooral China. Hoe we mensen kunnen interesseren voor het orgel? Je moet het oude instrument steeds weer levend maken. Daarvoor mag je van mij veel aanpassingen doen, als je de ziel van het orgel maar niet kwijtraakt. In ieder geval mag het concerteren nooit routine worden. Dat zie je vaak gebeuren. Ook in Frankrijk. Daar is de orgel­cultuur niet beter dan in Nederland. Ook daar moeten we zoeken hoe we publiek en politiek voor het orgel kunnen interesseren. In de Notre-Dame hebben we nu concerten op zaterdagavond. Gratis. Er komen zo’n 1500 mensen op af. Dat is mooi.”

7. Improviseren is een must voor iedere organist.

„Ik ken veel concertorganisten die heel goed spelen, maar nooit improviseren. Geen probleem. Zelf doe ik het af en toe, een improvisatie van een kwartier aan het slot. Maar ook niet altijd. Speel je als organist in de liturgie, dan is het wel van belang dat je kunt improviseren. In de Notre-Dame houdt de priester er niet van om te wachten. Speel je literatuur, dan is het vaak óf te kort óf te lang. Improviseer je, dan kun je precies de tijd vol spelen. Of ik genoeg inspiratie heb om tijdens de dienst te improviseren? We zijn met z’n drieën, dus ik ben maar één keer in de drie weken aan de beurt. Genoeg tijd om inspiratie op te doen.”

8. Ik kies er bewust voor me in geen enkele stijlperiode te specialiseren.

„Inderdaad, ik houd niet van specialisatie. Er wordt onderscheid gemaakt tussen specialisten, die van één periode alles weten, en generalisten. Ik ben een generalist, maar ik wil ook van een bepaald repertoire alles weten, net als een specialist. Zo heb ik dat gedaan toen ik alle orgelwerken van Messiaen opnam. Dan moet je je voor een bepaalde periode even helemaal daarop focussen. En niet te snel switchen. Als generalist doe je hetzelfde als een specialist. Het is een kwestie van tijd. Vaak zijn er ook overeenkomsten tussen componisten. Het is net als bij iemand die vijftien talen kent. De zestiende gaat heel snel. Als ik me verdiep in Widor, zijn er veel overeenkomsten met Vierne of Messiaen. En de muziek van Buxtehude, Bruhns en Weckmann komt ook uit eenzelfde klankwereld.”

9. Bach is prachtig, maar mijn hart ligt bij het grote Franse repertoire.

„Bach is prachtig als ik Bach speel of hoor. Messiaen is prachtig als ik Messiaen hoor of speel. Franck... De muziek waarmee ik me bezighoud boeit me. En als ik moet kiezen? Dat hangt van het orgel af. Dat zal mijn keus bepalen. Daarom is het zo mooi dat er zo veel verschillende orgels zijn. En eigentijdse muziek? Die kan de ene keer afstoten en de andere keer precies goed uitvallen. Maar dat geldt voor elk stuk: dat je dat op de juiste manier en op het juiste moment moet spelen.”

10. Componeren is niets voor mij, daar ben ik te druk voor.

„Klopt. Ik heb tot nu toe één stuk gecomponeerd. Ik zou er meer tijd voor willen hebben. Het gaat niet alleen om het op papier zetten van muziek; je moet helemaal in een stuk zitten, 24 uur per dag, liefst maandenlang. Ik heb wel iets in mijn hoofd. Maar dan moet ik eerst meer tijd krijgen.”

In Staccato reageren muzikanten op tien stellingen. Volgende aflevering: zaterdag 25 oktober.


Levensloop Olivier Latry

Olivier Latry werd in 1962 in het Franse Boulogne-sur-Mer geboren. Hij studeerde interpretatie en improvisatie bij Gaston Litaize in Saint-Maur en compositie bij Jean-Claude Raynaud in Parijs. Vijf jaar lang was hij assistent van Michel Chapuis aan het conservatorium van Parijs. Latry doceerde orgel aan het conservatorium van Rheims. In 1990 volgde hij Litaize op in Saint-Maur. Sinds 1995 doceert hij aan het conservatorium van Parijs.

Op 23-jarige leeftijd werd de Fransman benoemd tot organist van de Notre-Dame in Parijs, waar hij samen met Philippe Lefebvre en Jean-Pierre Leguay het vijfklaviers Cavaillé-Coll­orgel (86 stemmen) uit 1868 bespeelt.

Jaarlijks geeft Latry over de hele wereld een groot aantal concerten. In Nederland is hij al jaren verbonden aan de zomeracademie van het orgelfestival in Haarlem.

De Fransman maakte naam met de opname van het complete orgeloeuvre van Olivier Messiaen op het label Deutsche Grammophon.

Als componist schreef Latry één stuk: ”Salve Regina” (2007), voor zangstem en orgel.

Zijn vrouw, de Zuid-Koreaanse Shin-Young Lee, is zelf ook actief als concertorganiste.