Column: Verlangen met Van Ruler

Een halve eeuw geleden verscheen ”Waarom zou ik naar de kerk gaan?” van dr. A. A. van Ruler. Een goede reden om dat boek te gaan lezen. Prachtig is het, maar het schuurt in deze coronatijd aan alle kanten.

Allereerst natuurlijk de vanzelfsprekendheid waarmee de hervormde theoloog schrijft over kerkgang en eredienst. Je ziet hem gaan op zondagmorgen, als gewone kerkganger (vanwege zijn gezondheid kon hij zelf niet voorgaan), naar de Janskerk in Utrecht. Lyrisch is hij over het godshuis, „met z’n onbeschrijflijk mooi koor.” Opgetogen is hij over de eredienst die hij daar leerde kennen: een „kolossale gebeurtenis.” Juichend schrijft hij over wat hij „een soort bekering” noemt: „Ik heb de liturgie ontdekt!” Auw! Dat doet pijn, als je op zondagmorgen helemaal niet op mag gaan, maar je achter een beeldscherm moet installeren om als toeschouwer een dienst mee te beleven.

En dan het zingen. „Ongelooflijk belangrijk”, zegt Van Ruler. Dat doen we niet ter afwisseling of „verpozing van de aandacht.” Nee, „het is een eigen en wezenlijk element in de liturgie.” Hij kan zich zelfs voorstellen dat de hele dienst alleen uit deze „arbeid van de lofprijzing” zou bestaan. Goed, dat is misschien te veel teruggrijpen op het paradijs en vooruitgrijpen op de toekomst. Maar dat neemt niet weg „dat er in elke kerkdienst véél kan en moet gezongen worden.” Weer juichend: „Liturgeren is vooral ook zingen!” Auw! Dat doet pijn, als je zondags op de bank moet aanhaken bij een schermgeluid, terwijl in de kerk zelf de zang grotendeels wordt verzorgd door een klein zanggroepje.

Van Rulers boekje schuurt niet alleen, het roept ook verlangen wakker. Heimwee naar hoe het was. Naar hoe het hopelijk weer wordt. Of is dat verlangen verkeerd? Als je sommige ‘profeten’ moet geloven, wel. Want deze crisis is juist een uitgelezen kans om onze gebruikelijke eredienst eens tegen het licht te houden, toch? We moeten helemaal niet terug wíllen naar het oude. Het kan ook anders, hebben we nu ontdekt: kleinschaliger, minder vaste vormen, meer maatwerk, vaker virtueel.

Ook voor deze ‘profeten’ heeft Van Ruler een woord. Vijftig jaar terug vonden sommigen de traditionele kerkdienst ook al achterhaald. Een dialogische prediking, gelegenheid tot discussie, de huisgemeente: die vormen moesten de kerk gaan redden. Van Rulers antwoord? Dat soort nieuwigheid „reikt in de verste verte niet aan de afmetingen van de openbare Godsverering.” Waarvan akte.

Dus toch maar afzien, zo lang het duurt. Én uitzien, met de dichter van Psalm 42 (vers 5, onberijmd).