Column: Geen lofzang in Dordt

Interieur van de Grote Kerk in Dordrecht ten tijde van de Nationale Synode van 1618-1619. Tekening van E. H. Schoemaker uit 1893. beeld Regionaal Archief Dordrecht

Bij de 400e verjaardag van de Dordtse Leerregels is dit jaar de vergelijking weer vaak gemaakt: de belijdenis van de uitverkiezing is geen dor stuk leer, maar een lied, een liefdeslied zelfs. Titels als ”Dordts loflied” of ”De lofzang uit Dordt” zijn dan ook weer ten beste gegeven. Niet ten onrechte. Het dogma moet immers altijd uitmonden in de doxologie, de lofprijzing.

Wie echter nagaat hoe het er destijds in 1619 in Dordt aan toe ging, is lichtelijk geschokt: helemaal geen lofzang, alleen maar woorden. Het is allemaal te lezen in ”Synodestad”, het jongste boek van Fred van Lieburg. Minutieus beschrijft hij de gang van zaken in Dordrecht tijdens de synodemaanden, van de voorbereidende bijeenkomst op 12 november 1618 tot de publieke afsluiting op 29 mei 1619. Van alles komt langs: uitgebreide gebeden, lange oraties, felle discussies, crises, synodetoerisme. Maar geen lofzang.

Wellicht is er tijdens de beide openingsdiensten (Nederlands en Frans) op 13 november in de Grote Kerk en de Augustijnenkerk een psalm gezongen, maar daarover meldt Van Lieburg niets. Op het moment suprême, de publieke voorlezing van de Dordtse Leerregels op maandag 6 mei in de Grote Kerk, is er in ieder geval níét gezongen. Dat schrijft de historicus expliciet: „Psalmgezang was er niet bij.” Een klein maar veelzeggend zinnetje. Een drie uur durende bijeenkomst in een stampvolle kerk, een gebed van een halfuur door voorzitter Bogerman, de voorlezing van de Vijf Artikelen tegen de remonstranten door scriba’s Damman en Hommius (alles in het Latijn!), de veroordeling van de remonstranten, een dankgebed door Bogerman – maar geen gezang. Geen gezamenlijke lofverheffing op Gods verkiezende liefde. Onbegrijpelijk.

Een afkeer van muziek hadden de vaderen overigens niet. Als drie dagen later (Hemelvaartsdag) afscheid wordt genomen van de buitenlandse afgevaardigden, mag stadsmusicus Hendrick Speuy tijdens het banket het stadsklavecimbel bespelen, en ook muzikanten van elders worden ingevlogen om de mannen met zang en muziek te vermaken.

Speuy had trouwens óók een rol tijdens de bijeenkomst op 6 mei. Vooraf en na afloop bespeelde hij het orgel. Mogelijk heeft hij bij het uitgaan een toepasselijke psalm vertolkt. Nee, niet: „Door U, door U alleen, om ’t eeuwig welbehagen.” Die berijming bestond nog niet. Maar misschien wel de destijds geliefde Psalm 103: „Myn siele wilt den Heer met lofsangh prysen,/ Al wat in my is moet Hem eer’ bewysen.” Misschien heeft een van de aanwezigen het zachtjes meegeneuried. Als een lofzang in stilheid.