Arjan Breukhoven: Je moet niet wijzer willen zijn dan je publiek

Staccato
Organist, pianist en dirigent Arjan Breukhoven houdt van een muzikale knipoog. foto Sjaak Verboom Sjaak Verboom

In Staccato reageren muzikanten op tien stellingen. Vandaag musicus Arjan Breukhoven.

Op z’n site staat een filmpje. Organist Arjan Breukhoven speelt Bachs beroemdste Toccata en Fuga in diens eigen kerk, de ”Thomas” in Leipzig. Een tikkeltje eigenzinnig, maar stijlvol. Daarna volgt een populair-romantische improvisatie over Psalm 98. Die combinatie typeert de Rotterdamse musicus. „Ik ben een muzikale alleseter, maar graaien in de toetsen, daar houd ik niet van.”

Breukhoven, smal postuur, ziet de zaken graag breed. Zeker in de muziek. Zijn publiek waardeert hem erom. De ene keer vanwege zijn lezing over de Matthäus Passion, de andere keer voor de uitvoering van een lied uit de Muzikale Fruitmand met een van zijn grote mannenkoren.

1. Als musicus werk ik bewust aan een eigen stijl.

„Zeker, hoewel elke stijl natuurlijk z’n oorsprong heeft. Aan Bach kun je horen dat hij goed heeft geluisterd naar Böhm en Buxtehude. Ik heb mindere namen als voorgangers. Mijn vader nam vroeger alle populaire orgelbespelingen van de EO op. John Propitius, Teke Bijlsma, Klaas Jan Mulder, Piet van Egmond: ik heb de bandjes met hun spel stukgedraaid en probeerde de noten op te schrijven. Maar mijn grootste inspirator is Jan Brandwijk. Als kind hoorde ik hem elke zondag spelen in de Verrijzeniskerk in Rotterdam. Thuis deed ik hem na. Ik heb vijf jaar les van hem gehad. Hij heeft mij klaargestoomd voor het conservatorium, waar ik les kreeg van Bert Matter. Hij zei: Ik wil jou iets voorspelen, maar ik ga je niets opleggen. Je moet een eigen stijl ontwikkelen. Daar ben ik altijd blij mee geweest. Als jongen maakte ik een bandopname in de Oostkerk in Middelburg. De toen ingezette stijl hoor je nog steeds in mijn spel, gelukkig wel meer ontwikkeld. Typeringen die daarbij horen? Vormbesef, liefde voor het vak, serieus bezig zijn, maar wel met een knipoog op z’n tijd.”

2. Hardlopen is mijn hobby.

„Het is voor mij dé manier om m’n hoofd leeg te maken. Ik doe het al twintig jaar, een paar keer per week. Meestal vlak voor het avondeten. Vaak 7 kilometer, soms 22. Ik zou graag een marathon lopen, maar die zijn altijd op zondag. Fietsen doe ik ook graag. Zomers, in de bergen, in Oostenrijk. Helling op, helling af. Totdat ik sterretjes zie. Beweging is zó gezond. Voor je lichaam en je geest.”

3. Ik voel me het meest organist.

„Niet meer. Vanaf m’n negende speel ik orgel. Ik ben op les gegaan omdat mijn vriendinnetje, op wie ik heimelijk verliefd was, orgel speelde. Bij les 44, het stuk ”Greensleeves”, stopte zij. Ik ging door. Later ben ik piano erbij gaan doen. Het zijn twee totaal verschillende werelden. Ik kan niet kiezen. Voor mij is de kwaliteit van het instrument belangrijker dan de vraag of ik op een orgel of een piano speel. Nog weer later zijn de koren erbij gekomen. Juist die breedte in mijn werk maakt het boeiend.”

4. Concerttournees naar het buitenland kan ik niet meer missen.

„Het zijn de snoepjes in mijn werk. Ik maak graag kennis met andere landen en culturen, zoals Rusland, Finland, Australië. De orgels zijn niet altijd even interessant, maar er zijn ook toppers bij. Ik heb een cd opgenomen op het orgel in het Finse Turku, een instrument met ongelooflijk veel toeters en bellen, zoals we dat in Nederland niet kennen. En in Australië bespeelde ik een orgel met 127 stemmen; alsof je in een cockpit zit. Binnenkort ga ik weer met een mannenkoor naar Oost-Duitsland. Het worden inspannende dagen met in korte tijd zes concerten. In juni mag ik naar Parijs om een Franse onderscheiding, een zilveren medaille, op te halen vanwege mijn verdienste voor de Franse orgelkunst. Een grote eer.”

5. Ik speel liever populaire dan klassieke muziek.

„Dat wordt mij wel verweten, maar ik speel het liefst alles. Geen dag zonder Bach, zeg ik. Eind deze maand geef ik een concert in mijn eigen kerk, de Dorpskerk in Berkel en Rodenrijs. Het programma heet ”Tour de France”. Ik speel dan allemaal serieuze muziek van componisten als Franck, Saint-Saëns en Martin. Een andere keer improviseer ik, speel ik transcripties van piano- en orkestwerken, geef ik een Bachconcert, maak ik een verzoekprogramma met populaire werken of een programma met als thema ”Muzikale wereldreis”. Ik houd graag rekening met de smaak van het publiek. Is dat commercieel? Misschien wel, maar ik vind commercieel geen vies woord. Ik run als musicus een bedrijf; werk 80 uur per week. Het publiek geeft mij een boterham. Het is bovendien wijzer dan ik ben. Ik kan veel van mijn publiek leren; moet er niet boven gaan staan. Een poos geleden had ik leden van het Haags Orgel Kontakt op bezoek in Berkel en Rodenrijs. Ik mocht het orgel demonstreren en heb dat een beetje in hun stijl gedaan, met serieuze muziek. Na afloop zeiden ze: We wisten niet dat je dit ook kunt; we kennen je alleen van je huppeldeuntjes. Ik begrijp dat. Maar vergeet niet dat ik bij Bert Matter gedegen les heb gehad, ook in harmonie en contrapunt. Hij liet mij improviseren in alle klassieke vormen.” Lachend: „Maar als Matter mijn improvisatie over Psalm 98 in Leipzig zou horen, zou hij me een draai om m’n oren geven.” Dan weer serieus: „Ik speel ook Jan Welmers, zijn ”Laudate Dominum”. Overweldigende muziek. Ik speel alles, maar niet alles voor publiek.”

6. Het spelen van rouwdiensten is een vak apart.

„Absoluut. Ik krijg zo’n 400 uitnodigingen per jaar, waarvan ik er 300 zelf speel. Soms heb ik er drie op een dag. De andere honderd diensten besteed ik uit. Ik ben voor begrafenisondernemers in Rotterdam en wijde omgeving hét aanspreekpunt als er muziek geregeld moet worden voor een uitvaart. De verzoeken variëren enorm: van het begeleiden van niet-ritmische psalmzang tot de Toccata in F van Bach. Ik probeer flexibel te zijn. Je moet bij dit werk een enorme muziekbibliotheek in je hoofd hebben om snel te kunnen reageren op wat er tijdens de rouwdienst gezegd wordt. Graag geef ik er met mijn spel, op het orgel of de piano, een persoonlijk tintje aan. Wil de familie iets anders, bijvoorbeeld een instrumentaal muziekgroepje, dan regel ik dat. Daarmee neem ik de uitvaartondernemers veel werk uit handen. Ik voel me bij elke rouwdienst betrokken, maar neem het verdriet niet mee naar huis.”

7. Als ik de kans krijg, kook ik thuis.

„Nee. Mijn vrouw kookt; vindt dat erg leuk.” Lachend: „Ze heeft niet voor niets een grote keuken van me gekregen. Ik heb recent wel een kookboekje met de favoriete recepten van collega-muzikanten uitgegeven. Het idee daarvoor was ook van haar. De medewerkers variëren van gospelzangeres Sharon Kips tot gergem-organist Pieter Heykoop. De opbrengst is bestemd voor een internationale organisatie die strijdt tegen onder andere kinderprostitutie in India. Er zijn inmiddels 750 van de 1000 exemplaren verkocht.”

8. Elke organist moet ook piano spelen.

„Moeten niet, het is wel wijs. Het is zó goed voor je techniek. Ik begin elke ochtend met een halfuur oefeningen op de piano. Hoe kan ik met zo weinig mogelijk inspanning de toetsen indrukken? Daarna ga ik literatuur spelen. Op de piano of op het orgel, afhankelijk van de concerten die ik moet geven. Orgel studeren kan ik thuis, maar ook aan de overkant van de straat, in de kerk waar ik 22 jaar organist ben geweest. En natuurlijk in mijn eigen kerk in Berkel en Rodenrijs, waar een instrument van Knipscheer/Nijsse staat met 27 stemmen. De kerk is een juweeltje, het orgel ook.”

9. Ik dirigeer liever een mannenkoor dan een gemengd koor.

„Nee. Ik heb toevallig alleen mannen­koren. Ik ben graag trouw; heb deze koren al lang. Het klikt nog steeds. Van beide kanten, gezien het aantal leden. Ik houd van de sound van een mannenkoor en de manier van werken. Recht op de man af. En het is natuurlijk een publiek geheim dat de mannenstem langer goed blijft dan de vrouwenstem. Hoewel er voor vrouwen een prima remedie is om hun stem op peil te houden: elke dag tien minuten hoog zingen. Dat heeft zangpedagoog Harjo Pasveer mij verteld.”

10. Ik draag op mijn manier bij aan de popularisering van het orgel.

„Het is mijn missie. Het orgel verkeert in zwaar weer. Ik probeer het aantrekkelijk neer te zetten voor een breed publiek. Daarom wacht ik de mensen bij de ingang op en zwaai hen na afloop uit. En ik vertel tijdens het concert over de muziek die ik speel. Daar heb ik zelf apparatuur voor aangeschaft: een draadloze microfoon, camera, beeldscherm en beamer. Als kind wilde ik dominee worden. Op bed lag ik te preken, totdat mijn moeder riep dat ik moest gaan slapen. Misschien heb ik die interactie tijdens concerten daaraan overgehouden.”


Levensloop Arjan Breukhoven

Arjan Breukhoven (1962) studeerde orgel bij Jan Brandwijk in Rotterdam en bij Wim van Beek en Bert Matter aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Daar volgde hij ook lessen piano, zang, koordirectie en improvisatie. Hij stak zijn licht verder op bij de Franse organist en pedagoog Gaston Litaize en bij de Kurt Thomasstichting voor koor- en orkestdirectie.

Jaarlijks werkt Breukhoven mee aan zo’n 500 concerten en kerkdiensten als pianist, organist, solist of dirigent. Hij maakte concerttournees naar verschillende landen in Europa, Rusland en Australië. Zo bespeelde hij het hoofdorgel van de Sint-Pieter in Rome.

Breukhoven is dirigent van drie mannenkoren in de regio Rotterdam. Hij werkt geregeld mee aan uitzendingen van het EO-tv-programma Nederland Zingt. In 2012 maakte hij een solo-cd op het Kamorgel in de Dordtse dom ter gelegenheid van zijn dertigjarig jubileum als organist. Het programma typeert zijn brede muzikale belangstelling en bevat zowel klassieke als populaire muziek.

Breukhoven is getrouwd met Annelies. Samen hebben ze drie kinderen: Matthijs, Sander en Florianne. Matthijs is vaste registrant bij de orgelconcerten van zijn vader.

Meer informatie: www.arjanbreukhoven.nl