Woonbegeleider in azc: Ooit kreeg ik zelf als vluchteling zo’n bed

COA-medewerker Nuriyah Fakhri. beeld RD, Henk Visscher

„Als vluchteling kreeg ik ooit zelf zo’n bed.” Dat dacht Nuriyah Fakhri toen ze als woonbegeleider in een nieuw opvangcentrum voor asielzoekers in Apeldoorn de eerste bedden opmaakte.

Naam: Nuriyah Fakhri (24)

Afkomstig uit: Afghanistan

In Nederlands sinds: 1999

Functie: woonbegeleider azc Apeldoorn

„In de winter van 1999 kwam ik met mijn moeder, broer en twee zussen naar Nederland. Mijn vader is overleden voordat ik geboren werd. Door de oorlog met de Taliban, die steeds machtiger werd, besloot mijn moeder te vluchten. Vooral vrouwen werden in Afghanistan steeds meer in hun rechten en mogelijkheden beperkt.

Na aankomst in Nederland zag ik allemaal mensen die niet leken op mijn landgenoten en ik verstond de taal niet. Ik dacht: Waarom ben ik hier? Alles was vreemd en moeilijk te begrijpen. Via het aanmeldcentrum voor asielzoekers in Zevenaar gingen we naar het azc in Luttelgeest en later naar het azc in Genemuiden, dat nu niet meer bestaat. In Genemuiden ging ik voor het eerst naar school. In mijn klas zaten een paar vluchtelingen, maar vooral Nederlandse kinderen. De taal was in het begin lastig voor me, maar het wende snel. Na bijna drie jaar kregen we een verblijfsvergunning, waarna we naar een woning in IJsselmuiden verhuisden.

In 2015 heb ik mijn diploma voor de driejarige mbo-opleiding sociaal-maatschappelijke dienstverlening gehaald. Het was lastig om werk in die richting te vinden. Ik heb allerlei baantjes gehad, in de horeca, een kledingwinkel en bij een energiemaatschappij, totdat ik aan de slag kon bij een project voor minderjarige vluchtelingen. Toen merkte ik: dit is wat ik wil, dit is mijn doelgroep. Toen dat project afliep, solliciteerde ik bij het COA.

Sinds januari 2019 werk ik in Apeldoorn in een pre-locatie voor mensen die wachten tot hun asielprocedure begint. Het is een nieuw centrum, in een voormalig kantoorpand. We begonnen op 7 januari om het gebouw in te richten en de bedden op te maken. Op dat moment dacht ik: Ooit kreeg ik zelf als vluchteling zo’n bed. Op 14 januari kwamen de eerste bewoners. Er is plek voor 400 personen, zowel gezinnen als alleenstaanden, en bijna alle plaatsen zijn bezet.

Als woonbegeleider heb ik afwisselend werk. Samen met mijn collega’s houd ik spreekuur. Mensen komen met allerlei vragen aan de balie, bijvoorbeeld als hun geldpasje niet werkt. Twee keer per week is er uitgifte van hygiëneproducten zoals zeep en shampoo. Ook bereiden we mensen erop voor als ze naar een regulier azc moeten verhuizen, als hun asielprocedure van start gaat.

Een van mijn speciale taken is het begeleiden van bewoners die voor een kleine vergoeding voor het COA werken, bijvoorbeeld als schoonmaker of beheerder van het naaiatelier. Ook houd ik geregeld met een collega toezicht bij de uitgifte van de avondmaaltijd in het restaurant. Mensen kunnen hier niet koken, het eten wordt geleverd door een cateringbedrijf.

Er waren bewoners die klaagden over de smaak van het eten. Toen hebben we een kookworkshop georganiseerd met vier vrouwen uit het azc, uit Turkije, Syrië, Pakistan en Iran. Ze maakten tien gerechten. Medewerkers van het cateringbedrijf keken mee hoe de vluchtelingen het eten bereidden. Daardoor is de cateraar andere kruiden gaan gebruiken. Ook hebben we tegenwoordig een kruidenbak in het restaurant staan, zodat mensen de smaak zelf kunnen aanpassen. En we hebben nu een soort Turkse yoghurtdrank. Zo proberen we aan de wensen van bewoners tegemoet te komen.

De vluchtelingen hebben diverse nationaliteiten. Ik beschouw hen als één grote familie en benader iedereen gelijk. Vanaf het eerste contact maak ik duidelijk dat ik COA-medewerker ben, geen Afghaanse COA-medewerker. Mijn werk is dienstverlenend en ik vind het fijn als ik blije gezichten zie.

Iedereen komt hier met hoop en verwachting. Er zijn vrouwen die in het verleden weinig of geen mogelijkheden hadden om eigen keuzes te maken, bijvoorbeeld om wel of geen hoofddoek te dragen. Voor sommigen ben ik een rolmodel. Ze kijken tegen me op, omdat ik in Nederland kon studeren en een baan heb.”