Soms blijven familiepatronen te lang hangen

beeld Sjaak Verboom
6

Lopen leer je van je ouders. Gewoon door hen na te doen. Voor praten geldt zo ongeveer hetzelfde. Maar er zijn nog veel meer dingen die je als kind van hen overneemt. Vaak onbewust. Mooie gewoontes, maar ook patronen die je kunnen belemmeren als je eenmaal volwassen bent. Zijn die ook af te leren?

Het broertje van Ilse (gefingeerde naam) was vaak ziek. Hij leed aan een zeld- zame aandoening, waardoor hij regelmatig naar het ziekenhuis moest. Ilse maakte zich zorgen om hem. En haar ouders ook. Dat haar broertje door zijn ziekte veel aandacht kreeg, snapte ze wel. Dat zíj daardoor wat minder aandacht moest vragen, ook. Dus hield ze zich groot, ook als ze zich verdrietig voelde. Om haar ouders te sparen.

Willem (eveneens een gefingeerde naam) had geen ziek broertje, maar wel een vader die regelmatig „uitbarstte.” Dat kon om de kleinste dingen zijn. Hij had nog nooit iemand geslagen, maar Wilem was altijd bang voor hem.

Willem ontwikkelde zich als kind tot bliksemafleider. Als de spanning in het gezin opliep, maakte hij een grapje of een gekke opmerking. Zodat de sfeer omsloeg. Dat hielp niet altijd. Maar soms wel. En het relativeerde in ieder geval een heleboel, vond hij.

Aandacht vragen

Voor Ria Klein en Hilde Berends zijn bovenstaande situaties, die van diverse internetforums afkomstig zijn, herkenbaar. Beiden zijn als gezinstherapeut in dienst bij Eleos, een christelijke organisatie voor geestelijke gezondheidszorg.

Vaak komt een kind bij een van de therapeuten terecht vanwege een hulpvraag van de ouders. Berends: „Ze zien bijvoorbeeld een zoon of dochter die om veel aandacht vraagt. Collega’s kijken meer naar de sterke en kwetsbare kanten van het kind of de jongere en naar de vraag hoe ouders daarbij kunnen helpen. Wij daarentegen kijken vooral naar de familie waar een kind uit komt. Is er een reden te vinden waarom het aandacht vraagt, bijvoorbeeld vanuit zijn positie in het gezin?”

beeld Sjaak Verboom

Poppetjes

Om zichtbaar te maken wat er in gezinnen gebeurt, werken beide therapeuten veel met beeldmateriaal. Hilde Berends pakt er vaak papier en stift bij. „Dan teken ik bijvoorbeeld twee huizen. Eén met een zonnetje erboven en één met een wolk. In het zonnige huis mogen kinderen zetten wat goed gaat in een gezin, zoals ”uitjes met elkaar” en in het andere huis de aandachtspunten, zoals ”veel ruzie”. Op die manier krijg je vaak snel boven water hoe het reilt en zeilt binnen een gezin.”

Ria Klein werkt veel met poppetjes. Ze opent haar bruinleren koffer, die bijna uitpuilt van de Duplo- en Playmobilpoppetjes. „Ik heb inmiddels een hele verzameling.”

Kinderen mogen tijdens een therapiesessie allereerst de poppetjes die volgens hen bij het gezin horen, uitkiezen. „Dat doen ze graag. Dan zeggen ze bijvoorbeeld: „Sorry papa, u bent een poppetje met grijs haar, want er zit geen kale tussen.””

De therapeut zoekt een plastic mannetje en zet dat op tafel. Ze plaatst er enkele kleine poppetjes omheen. „Kinderen die hier komen, plaatsen de familieleden zoals zij denken dat het klopt. Dicht op elkaar. Of juist ver van elkaar vandaan. Met opa en oma erbij of niet. Alles mag. Elke situatie zegt iets over hoe een kind het gezin ervaart.”

Helikopterview

Terwijl het kind de poppetjes neerzet, vraagt de therapeut aan de andere familieleden, als die aanwezig zijn, om de acties van hun zoon of dochter te ondertitelen of te becommentariëren. „Bijvoorbeeld door aan de moeder van het gezin de vraag te stellen: „Kunt u mij vertellen waarom uw dochter uw man deze plek geeft?””

Ria Klein legt uit: „Sommige mensen hebben een kokervisie. Zeker als het om hun eigen gezin gaat. Ze nemen een rol aan, waarmee ze op hun plek kunnen overleven. Wij helpen hen om die visie te verbreden. Door hen zich in een familielid te laten verplaatsen helpen we hen om een ander perspectief aan te nemen. Om vanuit een soorte helikopterview naar de situatie te kijken en de belangen van alle betrokkenen te zien.”

Nadat het kind zijn beurt heeft gehad, mogen de andere familieleden poppetjes neerzetten. „Het kan zijn dat zij dat weer heel anders doen. Ook dat zegt veel.”

beeld Sjaak Verboom

Ravijn

In het geval van Ilse zou het broertje waarschijnlijk een grote plek in het gezin innemen, dicht bij vader en moeder. Mogelijk zou zij zichzelf wat naar achteren plaatsen. „Het is goed om die samenstelling dan met elkaar te bespreken.”

Willem zou zijn vader mogelijk vooraan zetten. „Maar het kan ook dat hij, net als een cliënt laatst in een vergelijkbare situatie, zichzelf juist een prominente rol geeft. Die persoon plaatste zijn familieleden op het randje van de tafel, omdat hij de andere gezinsleden naar zijn idee moest beschermen om niet in het ravijn te vallen.”

Weegschaal

Volgens de therapeuten heeft de plek die je in een gezin inneemt, alles met balans te maken. Het is een woord dat binnen de contextuele therapie, waar het werken met de poppetjes vandaan komt, vaak wordt gebruikt.

Om het uit te leggen tekent Ria Klein op een groot wit vel een weegschaal. „Het kan gebeuren dat die scheef gaat hangen, bijvoorbeeld door ziekte van een van de ouders. Kinderen moeten dan soms tijdelijk meer geven dan ze ontvangen. Als dat tijdelijk is en er is oog voor, dan is er niet zoveel aan de hand. Dan zie je vaak dat iedereen z’n best gaat doen om de weegschaal weer wat meer in evenwicht te krijgen.

Als dat echter langdurig gebeurt en de gezins-leden wennen aan deze manier van leven, zetten de gezinsleden zichzelf en elkaar soms vast in deze posities.

Dan kan het dus gebeuren dat een kind heel stil wordt, zich bijna onzichtbaar maakt door geen aandacht te vragen, zoals bij Ilse. Maar het kan ook de reactie van Willem oproepen, die als het ware een bliksemafleider werd.”

beeld Sjaak Verboom

Hulpverlening

Lang niet alle gezinnen die in onbalans zijn, komen in de hulpverlening terecht. „Vaak gebeurt dat pas als een kind gedrag gaat vertonen waar anderen last van hebben. De ouders bijvoorbeeld, of de leerkrachten. Die trekken dan aan de bel.”

Niet zelden vinden ouders het lastig wanneer tijdens het hulpverleningstraject behalve naar het kind zelf ook naar het gezin als geheel wordt gekeken. En naar de plaats die het kind hierin inneemt.

Die terughoudendheid komt volgens Ria Klein en Hilde Berends vooral voort uit de angst van ouders om fouten te maken. Ze vinden het heel erg om te ontdekken dat zijzelf onderdeel van bepaalde problemen zijn. „Terwijl, zeker in christelijke kring, iedereen weet dat niemand volmaakt is. Ook in de opvoeding niet.”

Ook schaamte speelt een grote rol bij het vermijden van therapie. Hilde Berends: „Misschien wel juist in de reformatorische gezindte. De lat ligt daar hoog. Mensen kijken om zich heen in de kerk en zien allemaal perfecte gezinnetjes. Ouders moeten soms enorm op hun tenen lopen om aan te kunnen sluiten bij die norm.”

De schijn die vaak wordt opgehouden, zorgt er ook voor dat veel ellende achter de voordeur kan blijven. „Als je maar op vaste tijden, op je eigen plekje, netjes in de kerk zit, merkt niemand dat er dingen mislopen.”

KOPP

Een groep die vaak wél bij de hulpverlening terechtkomt, zijn de zogenoemde KOPP-kinderen. Klein: „Die afkorting staat voor Kinderen van Ouders met Psychiatrische Problemen. Een afwezige of juist erg aanwezige vader of moeder kan specifieke familiepatronen met zich meebrengen. Deze kinderen zijn geholpen met iemand die meekijkt in het gezin en ziet wat het kost om met deze ouders samen te moeten leven en die snapt dat dat wisselende gevoelens met zich mee kan brengen.

Laatst begeleidde ik een meisje dat bij het neerzetten van haar gezin op de tafel met de poppetjes helemaal vergat om vader erbij te zetten. Later bleek dat het hele gezin blij was dat vader momenteel was opgenomen in een ontwenningskliniek, zonder dat ze dat tegen elkaar hadden durven zeggen.”

Volgens Ria Klein en Hilde Berends slijten familiepatronen erin, zonder dat gezinsleden er erg in hebben.

„Ze zijn op een bepaald moment nodig om de weegschaal in evenwicht te houden, maar als een ontwrichtende situatie lang duurt, kunnen deze patronen inslijten in iemands persoonlijkheid. Dat betekent dat een persoon als volwassene nog hetzelfde reageert als toen hij kind was. Terwijl dat vaak helemaal niet meer nodig is.”

Bij Ilse en Willem gebeurde dat. Ilse heeft zichzelf ook in haar latere leven vaak weggecijferd. Wat zij vond of wilde was niet zo belangrijk. Het ging tenslotte niet om haar. Ze zorgde voor iedereen die hulp nodig had. En als ze verdrietig was of aandacht nodig had, slikte ze dat in. Dat ging onbewust. En is ze pas in gaan zien na haar burn-out.

Willem werd zich bewust van de patronen uit zijn kindertijd, toen hij tijdens een functioneringsgesprek op zijn werk te horen kreeg dat ze nu weleens écht wilden weten wie hij was. Hij stond bekend als de clown van de afdeling en lachte moeilijke situaties vaak weg. Waarom zou ik dat eigenlijk doen, vroeg hij later tijdens een glas wijn aan zijn vrouw. Die wist het hem gelijk te vertellen.

Patronen kunnen zo diep ingesleten zitten dat ze zelfs generaties lang meegaan. Klein: „In bepaalde families blijft eten bijvoorbeeld een issue, omdat een van de voorouders de hongerwinter heeft meegemaakt. In andere families blijven mensen bijvoorbeeld heel zuinig leven, omdat een voor-ouder jaren geleden tekortkwam.”

Dat is niet altijd erg, soms levert het ook mooie familieverhalen op. Pas als je merkt dat het je belemmert in je ontwikkeling, kun je op zoek gaan naar het antwoord op de vraag: waarom doen wij zo?”

Ook bij misbruik binnen gezinnen zie je bepaalde patronen soms de generaties overleven. De geschiedenis lijkt zich zo te herhalen. „Dat is eigenlijk bijzonder, want als je als man je kind slaat, terwijl je zelf als kind ook geslagen bent, weet je dus heel goed wat voor verdriet je veroorzaakt. En tóch doe je het.”

beeld Sjaak Verboom

Herstelgesprek

Voor het bewust doorbreken van een jarenlang familiepatroon is volgens de therapeuten moed nodig. „En iemand die je van een afstand leert kijken. Vaak kom je dan tot de conclusie dat bepaald gedrag je niet langer helpt, maar je belemmert in wie je wil zijn.”

Als je tot die conclusie komt, is het belangrijk dat je niet in de slachtofferrol blijft hangen, maar zelf actie gaat ondernemen. „Het is heel makkelijk je ouders de schuld van alles en nog wat in de schoenen te schuiven en in die negativiteit van ”ik heb een slechte jeugd gehad” te blijven steken. Maar een probleem in jezelf is bijna nooit voor 100 procent aan een moeilijke jeugd te wijten. Ook andere aspecten spelen mee, al kunnen ouders natuurlijk wel steken hebben laten vallen.”

Een zogenoemd herstelgesprek tussen ouders en kinderen kan helpen een streep te zetten door een bepaald patroon en te starten met nieuw, helpend gedrag. Hilde Berends: „Het kan al helend werken wanneer ouders, al zien ze hun bijdrage aan het probleem nog niet gelijk in, het verdriet van hun kind serieus nemen. En bijvoorbeeld vragen: „Hoe was dat voor jou?” Of zeggen: „Ik heb er nooit bij stilgestaan hoe zwaar dat voor jou moet zijn geweest.””

Vaak is er dan een weg tot verzoening nodig. Dat heeft volgens Ria Klein alles te maken met de diepe band die families aan elkaar en met elkaar verbindt. „Je kunt elkaar als familieleden de tent uitvechten of besluiten dat je elkaar niet meer wilt zien, maar als het erop aankomt, blijven het wel je ouders of je broer of zus. Een breuk in het contact is niet altijd de oplossing waardoor je je op lange termijn beter gaat voelen. Samen op zoek gaan naar hoe er recht gedaan kan worden aan iedereen, geeft een meer duurzame oplossing.”

Vergeving dóén

Openheid bieden en erkenning geven aan de kinderen. Dat zijn volgens Kees Verduijn sleutelwoorden als ouders zich schuldig voelen over tekorten in de opvoeding. Verduijn is docent en supervisor aan de master contextuele benadering van de Christelijke Hogeschool Ede en als contextueel therapeut verbonden aan zijn eigen praktijk in Barneveld.

Vanwege zijn ervaring met familiepatronen probeert hij voorzichtig om te gaan met de vraag wie er schuld heeft als iets scheef loopt. „Dat heeft weinig zin. Alsof het leed over is wanneer duidelijk is wie schuld heeft.”

Ook met het thema vergeving gaat hij terughoudend om. „Vergeving vragen vormt een sluitstuk, maar het is nooit het eerste waarover gesproken moet worden.”

Hij legt uit: „Wie te snel over vergeving vragen begint, kan het proces van heling vastzetten. Een kind kan moeilijk nee te zeggen en voelt zich geroepen om die vergeving ook te geven. Terwijl het belangrijk is dat er ruimte komt voor wat er aan pijn en schade is.”

Die pijn kan verminderen door kinderen erkenning te geven. „Waar gezinsleden met pijnlijke herinneringen aan hun jeugd naar verlangen, is bevestiging van wie ze zijn en van wat ze voelen. Ze willen weten of ze worden gerespecteerd in hun eigenheid en waardigheid.”

Verduijn noemt die erkenning de zegen die ouders kunnen geven. „Ook voor volwassen kinderen kan dit bevrijdend zijn.”

Hij noemt daarbij het voorbeeld van Jakob, die bij Pniël worstelt om de zegen. „Hij werd uiteindelijk gezien in die waardigheid. Dat werkte voor hem helend.”

Verduijn ziet dat kinderen, net als Jakob, die zegen vaak niet zomaar ontvangen. „Dat kan voor sommigen een grote worsteling zijn. Ouders hebben soms niet in de gaten gehad hoe kinderen gebeurtenissen in hun jeugd beleefd hebben. Patronen waarin zij zelf zijn opgegroeid, kunnen het goede zicht op hun eigen opvoeding verhinderen.”

De dialoog aangaan is volgens de therapeut het beste antwoord als kinderen met vragen zitten. „Dat kan door middel van een gesprek, maar dan een zonder verwijten. Heb begrip voor elkaar. Luister goed naar elkaar en vraag ook door. En houd rekening met elkaars gevoelens. Erken elkaar daarin. Dat proces is misschien wel ”vergeving dóén”.”

beeld Sjaak Verboom

Op internetfora: „Ik heb een gat in mijn hart”

„Ik heb inmiddels een gezin met opgroeiende kinderen, maar als ik tussen mijn broers ben, blijf ik dat kleine meisje. Als we met Kerst met z’n allen bij mijn ouders thuis zijn, voel ik me als sterke, zelfbewuste vrouw gelijk weer veranderen in dat zusje dat beschermd moest worden. Ik geniet daar eerlijk gezegd wel een beetje van. Het voelt heel vertrouwd.”

„Jarenlang had ik de verantwoording voor mijn gehandicapte zus. Ik werd in de zorg voor haar geprezen door volwassenen en maatschappelijk werkers, maar het was niet mijn taak. Ik ging eraan kapot en had een groot gat in mijn hart. Dat zag niemand, doordat ik me zo sterk hield. Nog altijd heb ik de neiging beter voor een ander te zorgen dan voor mezelf.”

„Ik kon als kind soms wat onhandig zijn. Of heel dromerig. Mijn moeder kon daar erg boos om worden. Nu merk ik dat ik soms precies zo op mijn dochter reageer, als zij datzelfde gedrag vertoont. Daar voel ik me heel schuldig over. Een therapeut wees me erop dat ik door zo boos op mijn dochter te zijn, eigenlijk boos op mezelf ben. Omdat dat gedrag er nooit heeft mogen zijn.”

Bron: diverse internetforums