Barnevelder Henk Flipse: Iedereen zat bij de grens in een Bijbel te lezen

Henk Flipse uit Barneveld regelde talloze hulptransporten naar Oost-Europa. „De Heere liet Zijn trouw blijken. We maakten gevaarlijke situaties mee, maar zijn altijd heelhuids aangekomen.”  beeld André Dorst

Verschillende keren werd hij omhelsd en vaak uitvoerig bedankt als hij weer met een hulptransport in Oost-Europa arriveerde. „Dat voelde best ongemakkelijk”, blikt Henk Flipse (94) terug. „Wij gaven mensen iets van onze overvloed en dat was niet meer dan een druppel op een gloeiende plaat.”

Bang was Flipse nooit tijdens de vele reizen door Oost-Europa. „God leidt ons leven.” Wat de Barnevelder nog altijd ontroert, is de herinnering aan Russische douaniers die voor het eerst een Bijbel in hun eigen taal lazen.

Flipse wordt geboren in De Rijp. Het gezin is lid van de gereformeerde gemeente in de Noord-Hollandse plaats. Na de ulo begint Flipse als administratieve kracht op een bank. Daarna werkt hij bij een groentegroothandel en een behangfabriek.

In 1951 verhuist hij naar Barneveld vanwege zijn nieuwe baan bij een pluimvleeslachterij in die plaats. Hij is er jarenlang directeur totdat de fusie met Friki, producent van kipproducten, een feit is. In de nieuwe organisatie wordt hij hoofd van de afdelingen verkoop buitenland en inkoop grondstoffen. Op zijn 61e gaat hij met de VUT. Flipse is 63 jaar getrouwd met Trina van de Kamp. Het echtpaar heeft vier dochters.

In de jaren 80 polst Wim Kranendonk, destijds bestuurslid van stichting Kom over en help, Flipse met de vraag of hij het regelen van hulptransporten naar Oost-Europa op zich wil nemen. Flipse gaat aan de slag en tussen 1989 en 1994 rijdt er gemiddeld twee keer per maand een trailer van Van Dieren Transport uit Genemuiden naar het oosten. Gevuld met zaken zoals kleding, medicijnen, Bijbels, school- of ziekenhuismeubilair en boeken. In 1994 zet Flipse een punt achter zijn werkzaamheden voor Kom over en help. „Ik had te veel op mijn bordje.”

Hij kijkt dankbaar terug. „De Heere heeft ons wonderlijk bewaard.” „Dat gebeurde ook tijdens de oorlog. Moet je dat niet vertellen?” vraagt zijn vrouw hem. Flipse: „Eind maart 1945 werd ik opgepakt door de Duitsers. Kort daarvoor had de ondergrondse een gevangenentransport overvallen en daarbij slachtoffers gemaakt. Het was de bedoeling ons op dezelfde plek dood te schieten als represaillemaatregel. De wagen stopte op de plek van de overval, maar reed daarna verder. Ook toen ben ik wonderlijk bewaard.”

Uiteindelijk ontsnapt Flipse met drie jongens uit Kamp Amersfoort en loopt hij met hen terug naar Noord-Holland. „De dag voor de verjaardag van mijn moeder, 12 april, kwam ik weer thuis. Ook dat was Gods sparende Hand.”

Wat deed die ervaring met u?

„Ik ben doorgegaan met mijn leven zonder God en heb getoond dat ik onbekwaam ben tot enig goed en geneigd tot alle kwaad. Later mocht ik ervaren dat God dwarsliggers genadig wil zijn.

Ook tijdens de reizen naar Oost-Europa liet de Heere Zijn trouw blijken. We maakten gevaarlijke situaties mee, maar zijn altijd heelhuids aangekomen.

De hulpgoederen haalde ik zelf op in heel Nederland. Nooit heb ik een aanrijding gehad. De Heere schonk Zijn zegen.”

Welke gevaren ondervond u zoal in Oost-Europa?

„De wegen zaten vol kuilen. Als het regende of sneeuwde konden we niet zien hoe diep ze waren. Hierdoor kon een reis dagen langer duren dan gepland. Eens was het zo glad dat ik de chauffeur vroeg het kalmer aan te doen. „We kunnen beter rijden dan glijden”, was zijn reactie.

Een andere keer zette een chauffeur zijn vrachtwagen stil en wilde niet meer verder. Begrijpelijk, want het was vanwege de enorme kuilen geen doen. Ik ben toen een eindje met de chauffeur gaan wandelen en we hebben samen gebeden. Uiteindelijk arriveerden we veilig in Jerevan in Armenië.

Soms moest ik boven op de vrachtwagen kruipen om elektriciteitskabels op te tillen, waarna we verder konden.”

U bent een avonturier?

„Ja, ik houd van improviseren en van regelen. Ik deed dat met handen en voeten, want ik kende nauwelijks Russisch. Om iets voor elkaar te krijgen, moest ik mensen weleens sigaretten geven. Ik zorgde altijd dat er op het dashboard van de wagen pakjes sigaretten in het zicht lagen.

Soms maakte de douane het erg bont. Bij de Russische grens bleek eens dat we een vergunning hadden moeten aanvragen. Of we 600 Duitse mark wilden betalen. Dat weigerde ik, want ik vervoerde hulpgoederen. Uiteindelijk mochten we gewoon doorrijden.”

Volgens Kranendonk redde u het aan de grenzen door uw vertrouwen op de Heere en door uw grote mond, waarmee u beambten en politiemensen overblufte. Herkenbaar?

Lachend: „Jawel. Enkele keren reed ik zelf met een bestelbus of een camper, maar meestal was ik bijrijder in een vrachtwagen. Altijd droeg ik een pak met een stropdas, niet echt een gebruikelijke outfit onder vrachtwagenchauffeurs. Beambten vroegen zich vaak af wat ze met zo’n chic geklede vent moesten. Ze waren op hun hoede, want misschien had ik veel invloed bij de autoriteiten. Soms kreeg ik voorrang bij de grens, maar we hebben ook weleens 48 uur moeten wachten op één stempel.

Toen een grenspost sloot omdat beambten snakten naar alcohol, reageerde ik fel. Ik trok het luik omhoog, sloeg met mijn hand hard op het loket en eiste een stempel. Zo’n optreden werkte. Oost-Europeanen stelden zich vaak onderdanig op tegenover iemand in een uniform. Ik liet merken dat ik niet van grote petten van slag raakte.”

Wat bleef u vooral bij?

„Na de Wende in 1989 gingen de grenzen naar Oost-Europa open. Vanuit Moskou kregen we groen licht om grote hoeveelheden Bijbels naar Rusland te brengen. Toen we met 15.000 Russische Bijbels en 1500 Russische kinderbijbels bij de grens stonden, gingen Russische douaniers vreselijk tekeer. Ze wisten nog niet van de versoepeling van de regels.

Toen de nors kijkende chef een Bijbel in zijn eigen taal kreeg, sloeg de stemming om. Uiteindelijk hebben we alle 24 medewerkers van de grenspost een Bijbel gegeven. Toen we wegreden, zat iedereen gebogen over een Bijbel. Voor het eerst in hun leven. Ik heb toen wel een traan gelaten.”

Wat hebt u van de mensen in Oost-Europa geleerd?

„Hun afhankelijkheid van God is groter dan die van veel christenen in het Westen. Als wij met een transport aankwamen, werd er gedankt en soms zelfs een kerkdienst belegd. Voordat wij vertrokken, smeekten mensen de Heere om bewaring.

De gastvrijheid in Oost-Europa is groot. Vertrekken zonder te hebben gegeten, is er niet bij. Als mensen vanwege hun armoede nauwelijks iets hebben, kloppen ze bij de buren om eten aan.”

U begeleidde het eerste grote transport van Kom over en help naar Zjitomir.

„De Oekraïense predikant, ds. D. M. Vinogradsky, zou ons opwachten bij de grens om te regelen dat we zijn land binnen mochten. Toen we bij de grens arriveerden, bleek hij nergens te bekennen. Ik vond het wel leuk om zelf de benodigde stempels te bemachtigen. De predikant reageerde later vol verbazing. Ik was de eerste buitenlander die op eigen houtje de grens was gepasseerd. Sindsdien noemde hij mij ”de pionier”.

Als we in zijn baptistengemeente de dienst bijwoonden, vroeg ds. Vinogradsky altijd of we een psalm in het Nederlands wilden zingen. Dat deed ik meestal in mijn eentje, omdat de meeste chauffeurs daar weinig trek in hadden. Vaak koos ik ”’t Hijgend hert der jacht ontkomen.””

Wat deed het met u om een aardbevingsgebied te bezoeken?

„Op 7 december 1988 vielen er bij een aardbeving in en rond de Armeense stad Spitak zeker 25.000 doden. Toen we begin 1989 in Spitak arriveerden met hulpgoederen bedankte ziekenhuispersoneel ons huilend, want er was geen spuit meer voorhanden. Ik vond het aangrijpend onderweg naar de stad de eindeloze rij massagraven te zien.”

Was u weleens moedeloos?

„Een enkele keer vroeg ik me af wat onze inspanningen voor zin hadden. Ook omdat het eigen initiatief bij veel Oost-Europeanen ontbrak als gevolg van de communistische tijd, waarin er voor deze mensen werd gedacht.

Soms was ik het zat om steeds weer hulpgoederen te moeten inzamelen. Dan sprak ik mezelf vermanend toe: Jij zwemt in weelde en zou je je dan niet inspannen voor die arme mensen?”

Volgt u het nieuws over Oost-Europa nog met extra belangstelling?

„Ja, het doet pijn te lezen dat christenen het daar weer moeilijker krijgen. Maar ook het verval in Nederland baart me zorgen. Het christendom wordt op allerlei manieren aangevallen. God spaart ons nog. Zijn lankmoedigheid is niet te bevatten.”