„Word zelf een zoutkorrel op seculiere hogeschool”

„Je bent soms echt vreemdeling”, zegt Kees Boele, over zijn tijd als bestuursvoorzitter van de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen. beeld RD, Anton Dommerholt

De kleine Christelijke Hogeschool Ede (CHE) verruilde hij voor de seculiere Hogeschool van Arnhem en Nijmegen (HAN) – ruim tien keer zo groot. Donderdag neemt Kees Boele afscheid als bestuursvoorzitter van de hogeschool. Een terugblik met de man die zelf een zoutkorrel moest worden.

De overstap van de CHE naar de HAN, ruim zeven jaar terug, was het moeilijkste besluit in zijn leven. Hoe serieuzer de gesprekken met de HAN in 2012 werden, hoe onrustiger Boele werd. „Is dit een vorm van verleiding?” vroeg hij zich af. „Of van beproeving om te kijken waar m’n hart ligt? Om te checken of ik de CHE, het christelijk onderwijs, niet verzaak? Of niets van dit alles – heeft de HAN gewoon een bestuurder nodig? Ben ik wel een man voor zo’n grote instelling? Is dit Gods weg met mij? Een roeping?”

De HAN deed een dringend appel, wilde meer doen met vorming, bezieling, hart voor onderwijs. „Dat appelleerde sterk aan mijn drijfveren en talenten.” Boele sprak erover met zijn vrouw en drie kinderen, bad ervoor, zat extra bewust in de kerk – wat wordt er gezegd en gezongen? Een belangrijke zet gaf zijn dochter. „Pa, je bent gewoon bang”, zei ze. „Je hebt altijd tegen CHE-studenten gezegd: We gaan jullie opleiden zodat je later een zoutend zout kunt zijn. En zout moet niet in een potje zitten, maar uitgestrooid worden. Dus ga maar doen wat je altijd gezegd hebt. Word zelf een zoutkorrel.”

Hoe ervaarde u de overgang van de CHE naar de HAN?

„Een directeur moet de ziel der school zijn, zei de liberaal Thorbecke. Op zo’n grote schaal van de HAN –35.000 studenten, 3700 medewerkers– is dat moeilijk. Je loopt het risico dat je nog verder dan in Ede af komt te staan van het onderwijs en de studenten. Op beide hogescholen ging ik een paar keer per week het gebouw door om studenten, docenten en conciërges te spreken, op te snuiven wat er speelt. Maar op de HAN zullen nu nog mensen zijn die mij nooit gezien hebben.

Toch viel het me mee wat je op die schaal kunt betekenen. Door wat je zegt in toespraken, thema’s waarvoor je aandacht vraagt. Bijvoorbeeld dat jonge mensen niet alleen opgeleid moeten worden voor een beroep, maar dat ook persoonlijke vorming van belang is. Juist omdat veel jongeren in deze tijd onzeker zijn en geen richting hebben in hun leven.”

In hoeverre was er op de HAN ruimte voor die boodschap?

„Veel docenten zijn juist graag vormend bezig in het onderwijs, dus de aandacht daarvoor werd goed ontvangen. Mooi is dat er ook op de HAN gelovige mensen werken. Zo’n twintig van hen vormen samen een gebedskring. En er lopen veel christelijke studenten rond bij opleidingen die de CHE niet heeft. In gesprekken probeerde ik hen te stimuleren een zoutend zout te zijn. Het voordeel van de CHE is dat die één identiteit heeft waarop je aanspreekbaar bent en waar je collectief voor staat. Christelijke vorming is eenduidiger.”

Hoe probeerde u op de HAN een zoutkorrel te zijn?

„Er gaat iets uit van menselijkheid, een luisterend oor, aandacht voor de ander. Dat doet meer dan mooie praatjes. In een eerste gesprek met afdelingsdirecteuren vroeg ik altijd: Vertel eens iets over jezelf en hoe je in het leven staat. Ik luisterde en vroeg door. Soms kwamen er tranen. „Dit heb ik nog nooit meegemaakt”, hoorde je dan. „Jij bent de eerste aan wie ik nu vertel dat ik een zoontje van acht ben verloren.”

Iets anders: toen ik bij de HAN kwam, liep er een discussie over een stiltecentrum. Daar werd nogal moeilijk over gedaan, dus dat heb ik gewoon snel toegestaan. De hogeschool financiert inmiddels ook pastores en een studentenkerk, waar zondags diensten zijn en studenten terechtkunnen voor pastorale gesprekken.”

Voelde u zich vrij om christelijke opvattingen uit te dragen?

„Ja. Tegelijk ben ik niet aangesteld als evangelist, maar als voorzitter van het college van bestuur. Met je geloofsovertuiging moet je gedoseerd en tactisch omgaan. Niet je positie gebruiken, laat staan misbruiken door daarop te tamboereren. Het was mijn stijl om het zo nu en dan expliciet te doen, soms subtiel. Dan verwees ik bijvoorbeeld met een grapje naar de statuten van de HAN, waar nog altijd christelijke elementen in staan. Dat komt onder meer doordat een rooms-katholieke en protestantse pabo opgingen in de HAN. De een vond het leuk als ik daaraan refereerde, de ander ongemakkelijk. Een derde raakte geïrriteerd.”

Uw collega Gerrit Averesch leek vorig jaar niet veel ruimte te krijgen voor zijn christelijke opvattingen: medewerkers tekenden bezwaar aan tegen zijn aanstelling als afdelingshoofd, onder meer om zijn opvattingen over homoseksualiteit.

„Zij hadden er inderdaad problemen mee dat hij actief is voor de SGP. Averesch liep daar, volgens hen althans, te veel mee te koop. Het standpunt dat het bestuur onder mijn leiding innam, is dat wij inclusief zijn. Dat geldt dan wel voor iedereen, dus ook voor meneer Averesch. Bovendien was hij verreweg de beste man.”

Wat waren voor uzelf lastige momenten?

„Momenten waarop je niet begrepen wordt. Je bent soms echt vreemdeling. Een aantal jaren geleden sprak ik bij een reünie van de CSFR over geloof en werk. Ik haalde aan wat Paulus in zijn brieven zegt over christen-zijn op je werk. Een verslag dat over die lezing in het RD stond, werd gelezen in Arnhem. Twee journalisten van het HAN-blad wilden me erover interviewen. Ze vonden het vreemd en verbazend wat ik had gezegd.”

Waar vielen ze over?

„Bijvoorbeeld dat je moet bidden voor je baas en zijn gezag moet erkennen, ook als hij een onrechtvaardige baas is. „Kunt u nou eigenlijk doen waar u zin in hebt en dan moeten wij zogenaamd nog bidden voor u ook? Da’s toch gewoon machtswellust?” vroegen ze. Ik legde uit dat ik geloof in God en het eeuwige leven. En dat ik daarom mijn identiteit niet ontleen aan mijn bestuursstoel, maar aan Christus. Dat geldt ook voor een ondergeschikte, die meer aan zijn Heere dan aan zijn baas gebonden is. Zij konden zich daar moeilijk in verplaatsen.

Ik heb toen diep gevoeld wat Paulus zegt: het Evangelie is een kracht Gods of –in dit geval– een ergernis, een dwaasheid. Die ervaring was ook heilzaam, want veel jonge mensen groeien op in een cultuur waarin het christelijk geloof niet begrepen of zelfs aangevallen wordt. Onze reflex is dat je in moeilijkheden de Heere om hulp bidt. Maar Paulus dankt God voor verdrukking, omdat het de volharding bevordert. Die tekst is erg voor mij gaan leven.”

In hoeverre miste u op de HAN het christelijke van de CHE?

„Geweldig dat er in Nederland zo’n oase is als de CHE, waar jonge mensen geloof en werk leren combineren. Prachtig dat je soms op maandag over de kerkdienst kon napraten. Dat miste ik op de HAN weleens. Maar ik ben ook dankbaar dat ik daar het vuurtje kon aanwakkeren om aandacht te hebben voor vorming. Iets wat nu op allerlei manieren terugkomt in het curriculum, in filosofielessen en de begeleiding van studenten. Ook zijn er groepen gestart rond rouwverwerking en masterclasses over ethiek.”

Minderheid

Boele schrijft momenteel een boek over christelijk onderwijs in een seculiere cultuur. Hij wijst daarin op de overeenkomsten van de huidige tijd en de eerste drie eeuwen van de jaartelling. De christelijke gemeente was ook toen een kleine minderheid. Omdat er geen christelijke scholen waren, was het belang van catechese en opvoeding groot.

Wat zegt dat het onderwijs nu?

„We moeten blij zijn met christelijk onderwijs, maar ik denk dat de identiteit hoe langer hoe meer om de persoon draait. Een christelijke docent is het belangrijkste. En dat kun je ook zijn op de HAN of een andere seculiere school. Als zout. Ik denk niet dat het in deze tijd nog veel zin heeft om lang te discussiëren over de precieze tekst van de grondslag van een school. Een veel grotere en belangrijkere vraag voor jongeren is: is er überhaupt wel een God? En zo ja, wat betekent dat voor mijn leven in deze cultuur? In welk vakje van de PKN of daarbuiten je precies zit, is nu echt minder van belang.”

Bent u daar anders over gaan denken in uw tijd op de HAN?

„Dat stimuleerde deze ideeën wel. Ik heb groot respect voor gelovige docenten die ik hier aan het werk zag. Zij kunnen het verschil maken in zo’n gebedskring, waar ze bidden voor de school en de studenten. Of door oog te hebben voor jongens en meiden die het moeilijk hebben.”

Dat laatste kunnen ook seculiere docenten. In hoeverre maak je met die betrokkenheid als christen een verschil?

„Ooit hoorde ik een preek over Jeremia 29, waar de profeet schrijft hoe de ballingen in Babel hebben te leven. Bijna vermakelijk. Hij zegt: Bouw huizen, woon daarin. Leg tuinen aan, eet de vrucht ervan. Neem vrouwen, verwek zonen en dochters, zorg voor huwelijkspartners. Met één toevoeging: Zoek de vrede voor de stad en bid voor haar.

Voor mij betekende dat: zorgen dat de HAN goed draait, voor goed onderwijs, een kloppende begroting, genoeg studenten, tevreden werknemers. En: de vrede voor de hogeschool en zijn stad zoeken en voor hem bidden. Christelijk leven is eigenlijk gewoon leven en bidden.”

Waarom verruilt u de HAN nu voor de Protestantse Theologische Universiteit (PThU)?

„Eind dit jaar zou mijn tweede termijn aflopen. Toen ik nadacht over een derde termijn, kwam ik hoe langer hoe meer tot de conclusie dat ik iets anders wilde. Ook de grootschaligheid ging me wat tegenstaan. Je hebt toch permanent de hele HAN op je nek, terwijl je lang niet alle mensen kent. Bovendien ben ik 58. Wat wil ik nu nog?

De PThU kwam op mijn pad en dat matchte mooi. Het maakt me dankbaar dat ik –menselijkerwijs gesproken– m’n kennis en ervaring in deze laatste baan ten dienste kan stellen van de kerk, de opleiding van predikanten, de theologie en haar betekenis voor de samenleving.

Theologie heeft veel te zeggen over actuele problemen in de samenleving. Zoals eenzaamheid, verdriet en gebrokenheid onder studenten. In de seculiere wereld zie je onvermogen om met een goede diagnose en antwoorden te komen. Juist vanuit de kerk en de theologie kun je een visie aanreiken – al komt een psychiater als Dirk De Wachter die ideeën ook wel op het spoor. Denk ook aan het risicomanagement waarop de bestuurlijke wereld zich richt met codes en richtlijnen om fouten te voorkomen. En hoe ga je om met het feilbare in de mens? Daar weet de theologie wel wat van.”

U was bestuurder op een school met 3500 studenten, daarna met 35.000 en straks met 300.

„In de ogen van de wereld is dat inderdaad vreemd. Die ziet het als demotie in plaats van promotie. Groot, groter, grootst is normaal. Maar mijn taak op deze aarde is toch niet om de grootste en meest aansprekende instelling of baan te hebben? Het gaat erom dat ik God dien. Mijn weg leidt nu hierheen. Prachtig om niet gebonden te zijn aan de criteria van de wereld.”