School versus leraar; wie trekt aan het kortste eind

Promovendus N. A. Rijke onderzocht het identiteitsgebonden benoemingsbeleid van orthodox-protestantse scholen in relatie tot de rechten van het onderwijspersoneel. Volgens hem zou de overheid meer eenheid in de wetgeving kunnen aanbrengen. beeld RD, Anton Dommerholt
2

De rechten van onderwijspersoneel krijgen sinds de jaren 80 in de wetgeving meer gewicht. De rechten van schoolbesturen zijn daardoor ingeperkt. En deze ontwikkeling gaat voort.

Die conclusie trekt mr. Niels Rijke uit vijf jaar promotieonderzoek naar het ”identiteitsgebonden benoemingsbeleid van orthodox-protestantse scholen in relatie tot mensenrechten”. Het leidde tot een dissertatie, 632 pagina’s dik. Die verdedigt hij maandag aan de Universiteit Utrecht.

Het werd een proefschrift zonder aanbevelingen. „In het begin overwoog ik die wel te doen, maar ik merkte dat dit het feitenonderzoek in de weg stond. Gesprekspartners hadden het gevoel dat ze hun zaak moesten bepleiten. Dus dat heb ik losgelaten. Ik beschrijf en verklaar, ik zeg niet wat ik ervan vind. In Utrecht is het –in tegenstelling tot andere universiteiten– ook niet gebruikelijk dat promovendi met stellingen komen. Maar ik denk over aanbevelingen wel na, want er kan tijdens de promotie om worden gevraagd.”

Mr. Niels Rijke. beeld NRO

Gelijke behandeling

Voorafgaand aan de plechtigheid gaan belangenbehartigers van schoolbesturen, werknemers en lhbt’ers tijdens een symposium met elkaar in gesprek, evenals leden van commissies van beroep en identiteitscommissies in het bijzonder onderwijs en het College voor de Rechten van de Mens.

Al die groepen hebben royaal meegewerkt aan het onderzoek, zegt Rijke. De 30-jarige Hagenaar werkt bij het Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek (NRO). Daarnaast was hij buitenpromovendus aan het University College Roosevelt in Middelburg, onderdeel van de Universiteit Utrecht. Tijdens zijn studie aan het Roosevelt nam Rijke in 2009 deel aan onderzoek naar de effecten van de gelijkebehandelingswetgeving in orthodox-protestantse kring. Daarbij ging het met name over de rol van de vrouw binnen de SGP en de plaats van homoseksualiteit in het onderwijs.

Over dat laatste thema had hij binnen de ChristenUnie discussies meegemaakt. Zijn promotieonderwerp vond Rijke nog dichter bij huis: zijn moeder werd als leerkracht van een vrijgemaakt gereformeerde basisschool ontslagen omdat ze de vrijgemaakte kerk verliet en overstapte naar een evangelische groepering. „Van dichtbij zag ik hoe ingrijpend ontslag op grond van identiteit is voor alle betrokkenen. De schooldirectie en veel collega’s waren het niet met het ontslag eens. Het overkoepelende bestuur hanteerde de kerklidmaatschapseis echter als uitgangspunt. Er werd volop gediscussieerd over verruiming van die eis, maar het was nog niet zover, dus het bestuur zag zich genoodzaakt consistent en consequent te zijn.”

Rijke –zelf later overgegaan naar de PKN– liet de casus van zijn moeder buiten beschouwing; „die kwam te dichtbij.” Hij bestudeerde wel andere gevallen waarin een arbeidsovereenkomst werd ontbonden op grond van de identiteit van de school.

Geloofsrichtingen en scholen kampen met interne verschuivingen door secularisering, individualisering en modernisering, signaleert de promovendus. Het ene bestuur wil geen ruimte geven om van de normen af te wijken, het andere probeert medewerkers met (enigszins) afwijkende opvattingen wel te behouden.

De problematiek is volgens Rijke al zo oud als de scholen zelf: „Het mogen voeren van een benoemingsbeleid is cruciaal voor het bestaansrecht van scholen. Het kan echter botsen met de rechten van de werknemers. Die laatste rechten krijgen nu meer accent. De nadruk op privacy en gelijke behandeling zorgt voor een beperking van de vrijheid van onderwijs, godsdienst en vereniging.”

Die ontwikkeling gaat voort, verwacht Rijke. „Ik voorzie dat uitspraken van het Europese Hof van Justitie gevolgen zullen hebben voor de eisen die je aan personeel mag stellen. Onderwijsbestuurders reageren daar wel verschillend op. De een toont zich vooral verheugd over de ruimte die hij (nog) heeft, de ander beklemtoont vooral dat hij steeds meer beperkingen ervaart. Dat laatste is niet los te zien van het feit dat orthodox-protestanten afwijken van de individualistische normen van een seculier-liberale meerderheid.”

2018-09-17-pkOPI1-Schooleiders-4-FC-V_webSchoolleider moet meer tijd krijgen voor vakinhoud en personeel

Op gespannen voet

Sinds het Maimonides-arrest van de Hoge Raad uit 1988 is het uitgangspunt dat scholen hun benoemingsbeleid alleen kunnen handhaven als ze daarin consistent en consequent zijn. „Dat voorkomt willekeur en zorgt voor rechtszekerheid. Het blijkt belangrijk dat scholen hierover open en duidelijk zijn, zegt Rijke.

De overheid zou volgens hem wel meer eenheid in de wetgeving mogen aanbrengen. „De gelijkebehandelingswetgeving vereist dat scholen snel en consequent handelen, terwijl het arbeidsrecht de nadruk legt op goed werkgeverschap, waarbij een school een werknemer die weg moet de tijd geeft om een andere baan te zoeken. Dat wringt.”