Prof. Zwart: Bijzonder onderwijs moet vuist maken naar Den Haag

Volgens prof. Zwart zijn de rechten van minderheden bij de plannen voor het burgerschapsonderwijs niet veilig gesteld.  beeld Getty Images
2

„Het burgerschapsonderwijs bedreigt op termijn de vrijheid van onderwijs. Ik adviseer bijzondere scholen dan ook om waarborgen te eisen van de Tweede Kamer en van minister Slob.”

Prof. dr. Tom Zwart, hoogleraar crosscultureel recht in Utrecht, adviseert bijzondere scholen samen een vuist te maken richting politiek Den Haag. „Ik weet dat reformatorische scholen niet snel zullen samenwerken met islamitische scholen, maar ze staan in deze kwestie wel voor hetzelfde belang, namelijk borging van de vrijheid van onderwijs zoals deze is vastgelegd in artikel 23 van de Grondwet. Ik adviseer de scholen een gezamenlijk platform op te richten om zo te laten zien dat het ze ernst is.”

De kwestie gaat Zwart –zelf een liberaal– ter harte. Hij laat het niet bij een oproep: „Desnoods wil ik ze daar wel een handje bij helpen. Ik heb goede contacten in veel denominaties in het onderwijs, waaronder de reformatorische en de islamitische.”

Zwart ziet in het rapport over burgerschapsvorming dat de Inspectie van het Onderwijs vorige maand uitbracht een duidelijke trendbreuk. Volgens de hoogleraar is er een wissel omgegaan. „In 2016 deed de inspectie ook onderzoek naar burgerschapsonderwijs. Toen was er vooral tevredenheid. In het rapport stond onder meer dat het wettelijk kader over de onderwijsinspectie een terughoudende opstelling van de overheid voorschrijft. En ook dat scholen veel ruimte hebben om naar eigen inzicht invulling te geven aan burgerschapsonderwijs. Dat is in lijn met artikel 23 van de Grondwet. De inspectie kwam dan ook tot de conclusie dat er met het onderwijs op dit terrein inhoudelijk niets mis was.”

Het inspectierapport van vorige maand gaat volgens Zwart een forse stap verder. „De inspectie besloot zich niet te beperken tot seksuele diversiteit, maar onderzocht nog vier onderwerpen: de omgang tussen jongens en meisjes, het bepleiten van afzijdigheid van de samenleving, de aandacht voor culturele diversiteit en het geven van voorrang aan godsdienstige uitgangspunten.”

Herstelopdracht

De strenge toetsing leidde ook tot strengere oordelen. „Zes scholen kregen een herstelopdracht; twee joodse, twee rooms-katholieke en twee algemeen-bijzondere scholen. Bij twee van de zes scholen is de invulling van het burgerschapsonderwijs strijdig met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat. Bij de andere vier ziet de inspectie risico’s voor het verwerven van die basiswaarden. Onder de basiswaarden vallen zaken zoals verdraagzaamheid, gelijkwaardigheid en non-discriminatie.”

Daarnaast vindt de inspectie dat veertien scholen meer kunnen doen aan burgerschap. „Deze scholen krijgen de aanbeveling het lesaanbod over seksuele diversiteit te verbreden en meer te doen dan alleen de overdracht van de eigen morele opvattingen hierover. In deze groep zitten drie reformatorische scholen. In totaal bezocht de inspectie 78 scholen en kregen 208 scholen een vragenlijst toegestuurd.”

Volgens Zwart is het vrijwel uitgesloten dat de scholen de afgelopen jaren anders les gingen geven. „In dat geval is de conclusie gerechtvaardigd dat de inspectie strenger toetste.”

De Utrechtse hoogleraar vindt dat de inspectie „haar boekje te buiten is gegaan door het onderzoek te verbreden. Minister Slob stelde enkele maanden geleden nog in de Tweede Kamer dat Nederland niet moet marchanderen met grondrechten. Daar ben ik het helemaal mee eens. Maar die benadering heeft ook consequenties voor het werk van de onderwijsinspectie. Op dit moment zegt de wet alleen maar dat er burgerschapsonderwijs plaats moet vinden. Over het hoe en wat ligt niets in wet- en regelgeving vast. Daar mag de inspectie dus ook niet op toetsen. Ik weet natuurlijk dat er een wet bij de Tweede Kamer ligt waarin de burgerschapsopdracht voor scholen wordt verduidelijkt, maar die is formeel nog niet van kracht.

Als de inspectie van scholen vraagt om de democratische basiswaarden na te leven, moet ze een van de basiswaarden, namelijk het legaliteitsbeginsel, zelf ook respecteren. Het legaliteitsbeginsel houdt in dat alles wat de overheid doet, gebaseerd moet zijn op een wet die is aanvaard door de Tweede en Eerste Kamer en in het Staatsblad heeft gestaan.”

Aap uit mouw

Volgens Zwart komt er door het rapport van de inspectie een ander, nog bedreigender probleem aan het licht: „Je ziet in het rapport hoe de inspectie te werk zal gaan als de nieuwe wet over het burgerschapsonderwijs straks wél is aanvaard. De aap is uit de mouw gekomen.”

Op het eerste gezicht is er volgens de hoogleraar niets mis met het naleven van de democratische basiswaarden. „Wie is er tegen verdraagzaamheid, gelijkwaardigheid en non-discriminatie? Maar als de onderwijsinspectie alléén deze zaken gaat toetsen, is het evenwicht zoek. Onder die democratische basiswaarden valt namelijk óók artikel 6 van de Grondwet over de vrijheid van godsdienst en óók het befaamde artikel 23 over de vrijheid van onderwijs. Er bestaat geen hiërarchie in grondwetsartikelen. Artikel 1 –dat gaat over non-discriminatie– is niet belangrijker dan de artikelen 6 of 23. Het seculiere ‘geloof’ heeft geen voorrang op het protestants-christelijke, het rooms-katholieke of het islamitische geloof. Nederland is een land van minderheden en religieuze pluriformiteit. Daar moeten we in wet- en regelgeving het volle pond aan geven. Niemand mag iemand dwingen tot een religie, maar er mag ook geen dwang zijn om religie of religieuze standpunten los te laten.”

Homoseksualiteit

Op de achtergrond speelt de discussie over het aanvaarden van homoseksualiteit. Zwart: „Persoonlijk deel ik de opvattingen van orthodoxe scholen over homoseksualiteit niet, maar ik vind wel dat er ruimte moet zijn voor hun standpunt. Als seculieren vinden dat orthodoxen hun standpunt moeten wijzigen, dan moeten ze een andere route kiezen dan dwang via wet- en regelgeving. Dan is het zaak het gesprek aan te gaan, zodat betrokkenen zien dat er verschillende opvattingen bestaan en dat die ook recht van bestaan hebben.”

Zwart veegt de vloer aan met het argument van PvdA-voorman Asscher dat orthodoxe scholen geen kritiek mogen geven op het homohuwelijk omdat dat nu eenmaal tot onze rechtsorde behoort. „Ik zou niet weten waarom er geen kritische kanttekeningen bij eenmaal aanvaarde wetten geplaatst mogen worden. De PvdA doet dat zelf ook bij artikel 23 van de Grondwet en pleit voor modernisering ervan. Waarom zouden anderen dan geen vragen mogen plaatsen bij het homohuwelijk of homoseksualiteit? Het is van tweeën één. Of we mogen geen kritiek hebben op de rechtsorde, en dan moet de PvdA ook stoppen met kritiek op artikel 23. Of iedereen mag voorstellen doen voor verandering van de rechtsorde, en dan moet ook de PvdA accepteren dat orthodoxen kritische kanttekeningen plaatsen bij het homohuwelijk. Ik sta op het standpunt dat discussies ons verrijken. We leven in een open, democratische samenleving die de bescherming van rechten van minderheden als belangrijk kenmerk heeft.”

Platform

Zwart vindt dat minister Slob en de Tweede Kamer het evenwicht in de voorliggende wet op het burgerschap moeten herstellen. „De benadering is nu te eenzijdig. De rechten van orthodoxe minderheden zijn nu niet veiliggesteld. Ik hoop dat dit besef snel doordringt in politiek Den Haag.”

De koepels van schoolbestuurders in ons land zouden de politiek daarin een handje kunnen helpen. „Ik mis een gezamenlijk optreden richting politiek Den Haag. Samen sta je sterker. Reformatorische en islamitische scholen hebben niet zo veel met elkaar, maar hierin hebben ze wel een gezamenlijk belang. Laten alle bijzondere scholen zich verenigen in een platform om politiek Den Haag op andere gedachten te brengen.”