Goede Vrijdag

„Nu is het echt afgelopen. Ik ben geen politieagent!” Het lijkt af en toe een prominente rol te spelen in het ouderschap. Het detectivewerk om er achter te komen wie dat snoep had gepakt. Het rechercheonderzoek naar de aanstichter van een huilpartij. En dan nog het indammen van agressief gedrag en verhitte discussies.

Het is vakantie. En het moet klaar zijn. „Ik wil graag een gezellige moeder zijn”, zeg ik. „En dat kan niet als jullie zo ongezellig zijn. Dus ik trek mijn politie-uniform deze week uit. Ik verlang naar een week zonder ruzie.”

Tegelijk besef ik: het zijn kinderen. Dus ik moet hen wel een beetje helpen. Ik heb een plannetje. Ze krijgen allemaal een euro. En bij elke onnodige onvriendelijkheid en ontluikende oorlog gaat er 10 cent van de euro af. En wat over is? Van dat geld mogen ze snoep scheppen. Bij het Kruidvat. Ze juichen. Een ultiem pleziertje.

Het verloopt fantastisch die vakantie. Misschien is zo’n beloningssysteem wel omkoperij. En zijn ze alleen maar zoet voor zoetigheid. Maar het is toch heerlijk. Als er iemand dreigt onaardig te zijn, is er wel een ander die het onder de aandacht brengt. „Kijk uit, anders 10 cent eraf!”

Ik voel me bevrijd van het politiepak. Het is gezellig in huis. Er is redelijke rust in de tent. Ze wijzen elkaar terecht. Zonder de ruwe ruzietoon. De liefde lijkt te gloriëren. En de 10-cent-erafzin doet zijn werk. Ik bedenk dat ze het dus echt wel kunnen zonder dat gedoe met elkaar. Ook al is het met die beloning. Ze kunnen het gewoon.

Verlangend kijken ze uit naar de vrijdag. Het is niet te geloven. Maar ze hebben allemaal de euro nog compleet als de dag aanbreekt. Ik neem mijn portemonnee mee. En reis richting het Kruidvat met een auto vol verheugde mensjes.

We zijn er. Ik kijk nog even rond bij de tandpasta’s als iets mijn rust onderbreekt. Er komen twee kinderen naar me toe rennen. Eén huilt er. De ander verheft zijn stem. „Hij ging al pakken. En ik heb alleen maar de zak uit zijn handen getrokken. Maar toen ging zij...” Het zijn mijn kinderen. En ze maken ruzie.

Een beetje beschaamd kijk ik op. Loop naar ze toe. En spreek mezelf toe. „Mama, geen kruid is gewassen tegen die zonde. En al helemaal geen Kruidvatsnoep. Jouw kinderen dragen jouw naam. En in jouw naam schuilt die van Eva. En van Adam.” Er moet een kruis door mijn opgetogen gedachten dat ze het echt wel kunnen zonder die ruzie. Zonder dat gekibbel. Er moet een kruis door mijn systeem. Een kruis met spijkers en geronnen bloed. Om zo verlangend uit te kijken naar de Goede Vrijdag.