Column: L-IE-F

beeld ANP, Roos Koole

We hadden al een heel dyslexieonderzoek gehad. Het jongetje had zich door flink wat moeilijke woorden geworsteld en ik had keurig bijgehouden hoe dat ging. Een klein fronsje kwam tussen zijn ogen als het woord wel erg moeilijk was.

Ten slotte deden we nog de leesteksten. Hij vond die het leukst. We waren echter al snel klaar. Want het laagste AVI-niveau bleek nog te moeilijk. Zelfs een woord als ”lief” moest nog gespeld worden: ”l-ie-f”.

De tekst ging over een lieve juf. Die had hij ook. Heel lief. Ze hielp hem altijd als hij iets niet kon lezen. En met een ondeugend lachje zei hij: „Soms hoef ik lekker niet alles te doen, dan zet de juf een streepje.” Dat was inderdaad heel lief. En waren er nog meer mensen lief? „Oma!” Het jongetje straalde toen hij dat woord zei. Oma bakte pannenkoeken. Met oma oefende hij het lezen. Oma had zijn knuffel gemaakt.

En toen kwam het ineens. Mama en papa, die waren niet lief. Ik moet vragend gekeken hebben. Als antwoord kwam namelijk het verhaal over de avond ervoor. Papa was boos op mama, en mama was boos op papa. En toen ging papa slaan. En mama ging heel hard schreeuwen tegen papa. Héél hard. Dat deed mama dan altijd.

Het jongetje zei even niets, de woorden van mama leken nog te klinken in zijn hoofd. En nu was het raam bij de deur kapot. Maar papa had er hout tegen gedaan. Het trof me hoe de jongen dit vertelde; alsof het iets heel gewoons was. Op het fronsje na, wat weer tussen zijn ogen zat.

„Ken jij Peter?” vroeg hij na even nadenken. Peter was een meneer met een staart en een gat in zijn broek. Peter kwam weleens praten met hem en met papa en mama. Toen Peter een keer was geweest, moest de jongen bij oma gaan logeren. Wel tien nachtjes. Ik kon maar één ding zeggen: „Zal ik vragen of Peter nog een keer komt?” Hij knikte hard en leek zich niet meer af te vragen of ik Peter wel kende.

Toen hij weer naar de klas was, ruimde ik de papieren op. Spelling en lezen zouden nog veel aandacht vragen. Maar eerst was er iets anders te doen: Peter moest gebeld worden. Die middag nog kreeg ik hem aan de telefoon.

Het jongetje was al bij oma. Daar was het rustig. Daar leerde hij in elk geval dat ene woordje spellen: l-ie-f.