Column: Blinken

2

Soms kun je er zomaar zenuwachtig van worden. De vloer van de buurvrouw ziet er altijd zo keurig uit. Haar ramen zo smetteloos. Het aanrecht is altijd zo fris bij die ene vriendin. En de badkamer glimt niet minder bij een andere vriendin. En zijn mijn regels wel streng genoeg? Ben ik eigenlijk niet inconsequent? Gaan onze kinderen wel op tijd naar bed? Maken ze niet erg veel ruzie? Geef ik hun wel genoeg aandacht? Ligt het aan mij dat ze geen goed cijfer halen? Een onzeker gevoel kan je zomaar bekruipen. Schiet ik niet tekort? Mis ik niet wat?

Het is 1950. De oorlog maakte veel slachtoffers. Een weeshuis wordt opgericht. Raak deze kinderen vooral niet aan, luidt de opdracht. Angst voor besmettelijke ziekten houdt de verpleegsters in een wurggreep. De kinderen worden perfect verzorgd. Uitermate schoongehouden. Ze krijgen gezond en goed te eten. Maar dan. De mazelen steken de kop op. Bijna de helft van de kinderen sterft. Schrik slaat toe. Buiten het weeshuis is het sterftecijfer niet meer dan 1 procent. Waarom zo weinig weerstand? Zijn de kinderen dan niet genoeg in bad geweest? Hun bedden niet vaak genoeg verschoond? O, jawel. Maar deze kleine weeskinderen misten iets. En moesten daarom het leven vroeg verlaten.

Het is 1980. Een nieuwe uitvinding. Een glazen bakje beschermt een vroeggeboren baby. Potdichte couveuses moeten zorgen voor een uitermate schone omgeving. Verplegers raken de kinderen op geen enkele manier aan. Het zenuwstelsel kan zo optimaal uitrijpen. De verzorging is weer perfect. De hygiëne optimaal. Maar geen van de kindjes overleeft deze schone en frisse glazen capsule.

Dan gebeurt er iets bijzonders. Sommige baby’s gaan toch groeien. Het blijken speciaal de kindjes van een bepaalde zuster. Haar kindjes kruipen langzaam toch het leven in. Hoe dat kan? Is ze hygiënischer dan de regels voorschrijven? Dat niet. Maar het huilen van de kleintjes kan ze niet verdragen. Dan doet ze iets. Als niemand het ziet streelt ze de fragiele ruggetjes. Heel teer. Zo bleven ze in leven.

Even voel ik de streling van deze lieve verpleegster. En ze leidt me in het geheim van het ”liefde leidend tot leven”.

Al zou je huis perfect schoon zijn. Je plinten kaarsrecht. Je aanrecht kruimelloos. Je opvoeding nog zo ijverig. Al zou er op je regels niets aan te merken zijn. Al zouden vaders bergen werk verzetten. En moeders bergen was. Maar we zouden de liefde missen. Dan was ons huis geen thuis. En onze opvoeding tevergeefs.