Waarom niet soberheid, maar overvloed de wereld duurzamer zou maken

De hoorn des overvloeds. beeld iStock
2

Innovatie, welvaart en overvloed. Volgens de auteurs van de essaybundel ”Meer” moeten die de wereld gaan redden. De schrijvers geloven in vooruitgang dankzij de techniek en hekelen de hang naar soberheid en ”degrowth”, oftewel economische krimp.

„Wie gelooft er nog in de vooruitgang?” vraagt wetenschapsjournalist Hidde Boersma zich in de inleiding af. De planeet is rijker, gezonder, geletterder en vrediger dan ooit. En toch groeit het pessimisme onder westerlingen sinds de jaren 80. De oorzaak zou liggen bij de milieubeweging. Sinds ”Grenzen aan de groei” –het rapport van de Club van Rome uit 1972– klinkt de roep om alles een tandje minder te doen, omdat onze decadente levensstijl de draagkracht van de planeet zou overschrijden. Volgens Boersma omarmde politiek links het rapport en veranderde daarmee haar boodschap: men ging pleiten voor consuminderen en een krimp van de economie. Deze omslag noemt hij ”De grote draai”.

Het is volgens de journalist „broodnodig” dat er een tegengeluid klinkt. In de bundel volgen zestien essays met een pleidooi „voor overvloed, voor verbetering, voor overdaad en voor modernisering.” Een keur aan auteurs komt langs, onder wie de filosofen Maarten Boudry en Ralf Bodelier en journalist Marco Visscher.

Meer

De hoofdboodschap is die van de titel: meer. Meer innovatie, meer overheid, meer economische groei, meer risico’s nemen, meer mensen, meer ontwikkelingshulp, meer energie, meer intensivering van de landbouw, meer toerisme.

Alleen met economische groei zullen miljoenen mensen zich aan de armoede kunnen ontworstelen. De vergaarde rijkdom betaalt zich vervolgens vanzelf uit in een groter milieubesef. „Als mensen rijker worden, gaan ze uiteindelijk eisen stellen aan het milieu”, zo stelt filosoof Sebastien Valkenberg. „Wie zich verzekerd weet van een dak boven zijn hoofd en voldoende voedsel, niet alleen vandaag maar ook morgen, gaat zich bekommeren om zijn omgeving.”

Hij wijst erop dat in westerse economieën de economische groei in de afgelopen decennia is ontkoppeld van de ecologische voetafdruk, terwijl dat voorheen gelijk op ging. Dankzij schonere technieken, efficiëntere productie en recycling. Volgens de auteurs wordt het tijd „dat we als mens opnieuw durven te geloven in onszelf, in onze kracht om de wereld beter te maken.”

Vooruitgangsdenken

De bundel zet aan het denken, bevat radicale ideeën die sympathiek klinken en interessant zijn om te onderzoeken. Zoals het voorstel om de helft van het Europese landoppervlak teruggeven aan de natuur en op het overige ultraintensieve landbouw te plegen, zoals verticale landbouw. Natuurinclusief boeren zou maar pappen en nathouden zijn. Een ander spannend plan: het afschaffen van het voorzorgprincipe, dat stelt een techniek niet in te voeren als er onzekerheid is over eventuele schade.

”Meer” ademt een en al vooruitgangsdenken. En dat is ook te plaatsen. Van de meeste auteurs is bekend dat ze zich verwant weten met het ecomodernisme, een beweging die de laatste jaren wereldwijd aan populariteit wint in duurzaamheidsland. Ecomodernisten geloven dat technologische innovatie het antwoord is op zo ongeveer alles. De huidige milieuproblemen treden ze dan ook met optimisme tegemoet.

Politiek gezien zijn ecomodernisten lastig te plaatsen, blijkt uit dit boek. Enerzijds hebben ze moeite met het gepreek van links en vertolken ze rechtse standpunten: ze zijn voor kernenergie, genetische modificatie en de intensivering van de landbouw. Tegelijk nemen ze linkse standpunten in. Zoals meer overheidsbemoeienis, armoedebestrijding en de zorgen rond klimaatverandering.

Rommelen in marge

Wat opvalt is dat de essays elkaar op een enkel punt tegenspreken. Waar in verschillende essays positief over duurzame energie wordt gesproken, kraakt Boudry zonne- en windenergie af. Ook vanuit ecomodernistisch perspectief lijkt dat vreemd: innovatie en inzet van techniek worden toch toegejuicht? De aap komt overigens al snel uit de mouw: de Vlaamse filosoof beoogt kernenergie extra gunstig af te schilderen.

Los van het feit of je nu voor of tegen nucleaire energie bent, lijkt dit op een overspannen hoop op één enkele technologie. Wind en zon „rommelen in de marge” noemen, doet deze technieken tekort. Om klimaatverandering tegen te gaan, kun je niet op één paard wedden. Dan heb je alle middelen nodig.

Enthousiastelingen

Op minstens één punt leggen de auteurs de vinger op de zere plek. Alleen wat minder consumeren is niet voldoende om milieuproblemen te bestrijden. Want ook met een sobere levensstijl zijn bijvoorbeeld nog grondstoffen of de uitstoot van CO2 gemoeid. Daarbij komt dat een groene manier van leven alleen iets zal blijven voor een select groepje enthousiastelingen. De meerderheid heeft er niets mee en zal er nooit iets mee krijgen. Daarom zal schonere technologie een belangrijke rol moeten vervullen in de oplossing.

Toch is dat maar het halve verhaal. Ondanks het weerbarstige karakter van de mens moet een sobere levensstijl een nastrevenswaardig ideaal zijn. Wie de Bijbel leest, kan niet anders dan concluderen dat een eenvoudig en matig leven christelijke deugden zijn. Dwepen met het „meer” van de ecomodernisten zal voor een christen dan ook niet gaan.

Menselijke hoogmoed

Ook op andere punten vallen er voor christenen kritische vragen te stellen bij deze bundel en daarmee het ecomodernistische gedachtegoed. Zo krijgt de menselijke inventiviteit haast goddelijke proporties. Boudry citeert de Amerikaanse ecomodernist Stewart Brand: „We zijn als goden, en we móéten er goed in worden.” De menselijke hoogmoed ten voeten uit.

Een ander punt, daaraan gerelateerd, is maakbaarheid. Een term die in christelijke kring te pas en te onpas wordt gebruikt als het gaat om het klimaat. Dat de mens de thermostaat van de aarde niet in handen heeft, wordt echter te gemakkelijk gebruikt om weinig of geen ambities te tonen rond duurzame energie. Wat Boudry en co voorstaan is echter maakbaarheid pur sang. Een christen zal dit ongebreideld optimisme over technologie als de oplossing voor alle problemen niet steunen, maar weet zich tegelijk verantwoordelijk om een goed rentmeester te zijn voor de aarde. De inzet van techniek hoort daar ook bij. Al zal hij ook hameren op de notie van soberheid. En ook economische krimp zouden we niet angstvallig uit de weg moeten gaan. Tot op heden groeit de ecologische voetafdruk van de mensheid –ondanks de gedeeltelijke ontkoppeling– nog ieder jaar. Dat kan niet oneindig goed blijven gaan. En als de economie krimpt maar het met de brede welvaart –bijvoorbeeld de biodiversiteit– beter gaat, wat is daar mis mee?

Groei, overvloed, vooruitgang. Wie wil dat nu niet? Iedereen toch? En het klinkt ook mooi, maar komt uiteindelijk neer op de retoriek van Rupsje Nooitgenoeg. Het doet denken aan de dochters van de bloedzuiger uit Spreuken 30. Geef, geef! Meer, meer!

Beter is het de les van het oude Nederlandse spreekwoord: overdaad schaadt. Van een boterham met tevredenheid werd nog nooit iemand slechter. Meer balans, meer soberheid, meer bescheidenheid ten opzichte van onze medeschepselen kan geen kwaad. Gun de grutto zijn plek. Laat wat leefruimte aan de libel. Dus vooral: meer oog voor de schepping en de Schepper.

Meer, Hidde Boersma, Ralf Bodelier, Maarten Boudry e.a.; uitg. Nieuw Amsterdam; 256 blz.; € 24,99