Drama onder een prachtig panorama

Heide wordt overwoekerd door het pijpenstrootje. beeld Theo Haerkens
3

Het Brabantse natuurgebied de Kampina heeft erg te lijden onder de stikstof die er neerslaat. Brandnetels, bramen en pijpenstrootje verstikken gevoelige planten zoals de vleesetende zonnedauw. Zelfs de eikenbomen bezwijken, en dat heeft grote gevolgen.

Vrijwel dagelijks fietst Toine Cooijmans, beleidsmedewerker bij Natuurmonumenten, naar zijn werk in Oisterwijk dwars door de Kampina, het 1500 hectare grote bos- en heidegebied dat ingeklemd ligt tussen Den Bosch, Tilburg en Eindhoven. „Ik geniet er elke dag van, ik rijd op mijn gemak en stap af en toe van mijn fiets om een foto te maken. Mijn dag kan al niet meer stuk als ik op mijn werk aankom.”

Als geen ander weet Cooijmans hoe bedrieglijk de schoonheid van het gebied is dat vandaag schuil gaat onder een dikke mist. Van de eiken en dennenbomen zijn alleen grillige contouren zichtbaar. Verderop ligt een omgevallen boom. Dankzij de regen van de afgelopen maanden staat er weer water in de vennen en links en rechts van het zandpad vormen de halmen van het pijpenstrootje, een grassoort, een gouden waas over de heidestruiken. „Het is een prachtig panorama hier, maar in de bodem speelt zich een drama af”, formuleert Cooijmans.

Brandnetels, bramen en pijpenstrootje floreren door de stikstof die hier terecht is gekomen en de bodem verrijkt. „Voor deze planten is het junkfood, de rest wordt verdrongen.” Ze overwoekeren en verstikken de heide en zorgen voor een dichte begroeiing van de bodem. Dat gaat ten koste van de gevoeliger planten die in dit voedselarme milieu thuis horen zoals zonnedauw –een vleesetend plantje– gagel, heidekartelblad, viooltjes en muizenoor. Door de dichte matten die de wortels van het pijpenstrootje op de bodem vormen, krijgen de zaden van andere planten nauwelijks gelegenheid te ontkiemen en op te komen. Zo worden ze geleidelijk verdrongen. „Je ziet het niet van dag tot dag”, beseft Cooijmans „maar het gebeurt wel.”

De boswachters in het gebied doen hun best om van de bramen en grassen af te komen en zonnedauw en de andere planten weer kansen te bieden. Niet alleen worden daarvoor schapen, paarden en rundvee van een boer uit de buurt ingezet, ook schrapen ze de voedselrijke bovenlaag af. „Aanvankelijk plagden we de heide, maar daarmee werden ook restjes kalk en de zaden van de planten weggehaald en daar kwam niets meer voor terug”, legt Cooijmans uit.

Gechopperd

Nu wordt er gechopperd, dat wil zeggen dat er slechts een dun laagje aarde wordt verwijderd. Hij wijst op parallel lopende banen met een breedte van een meter of twee, waar alle vegetatie is weggehaald. De donkere aarde is begroeid is met heideplantjes van niet meer dan een centimeter. „Als je die laag ook weghaalt zit je op het ‘klapzand’, zoals ze in Brabant zeggen en daar groeit niet veel.”

Bestrijding van de stikstof is de grootste zorg hier, al heeft de Kampina ook te lijden onder verdroging en de gevolgen van de verandering van het klimaat. De stikstof die in het milieu komt, is voor het grootste deel afkomstig van boerenbedrijven uit de omgeving: varkens- en kippenbedrijven en melkveebedrijven, constateert Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). De rest komt van verkeer, industrie en luchtvaart.

De lucht die wij inademen bestaat voor het grootste deel uit stikstof. Chemische reacties met zuurstof en waterstof in de lucht zorgen voor het ontstaan van ammoniak en stikstofoxide, dat schadelijk is voor onze gezondheid. Ook korstmossen lijden daaronder. Zodra de stikstof in de bodem terecht komt en daar reageert met andere stoffen, ontstaat onder meer salpeterzuur dat kalk en mangaan oplost, dat met het regenwater verder in de bodem zakt.

Onbereikbaar

Voor kalkminnende planten worden deze stoffen onbereikbaar, en dat betekent dat ze het niet volhouden en verdwijnen. De verzuring maakt ook aluminium vrij, en als die een kritische waarde bereikt, wordt het giftig voor veel planten, legt Cooijmans uit.

Deze veranderingen zijn funest voor de schimmels die een belangrijke rol spelen in het bodemleven, zoals de schimmels die voedingsstoffen en suikers uitwisselen met de wortels van eikenbomen. Zodra de schimmels verdwijnen, houden de eiken het niet meer vol. De bomen verliezen hun bast en kwijnen weg. „Juist eiken op arme zandgronden zijn hier gevoelig voor.” Dat heeft verstrekkende gevolgen.

Eikenbomen zijn van groot belang voor alle mogelijke insecten, zo’n 400 soorten leven er op de stam en in de kroon. Als de eik bezwijkt, zijn ook deze kleine diertjes ten dode opgeschreven. En dat heeft weer gevolgen voor insecteneters als vogels en hagedissen. Veld- en boomleeuwerik, boom- en graspieper en roodborsttapuit hebben het steeds moeilijker op de heide. De geelgors, een zaadeter, is er al in de jaren zeventig verdwenen.

Wulp

Cooijmans maakt zich grote zorgen over de wulp. „Aan het begin van de eeuw telde de Kampina nog zo’n 25 broedparen, afgelopen jaar nog twee.” Natuurmonumenten volgt de weide- en heidevogel nauwgezet. „De kuikens eten insecten, die er minder zijn door de stikstof. Door de vergrassing kunnen kuikens zich minder makkelijk voortbewegen en hebben ze meer moeite de insecten die er nog zijn, te vangen.”

Hagedissen eten ook insecten en hebben daarnaast kale plekken nodig in het zand om te kunnen zonnebaden en zich op te warmen. Zonder voldoende zonnewarmte kunnen de eitjes in het lichaam van het vrouwtje zich niet goed ontwikkelen.

Als de bloemen verdwijnen, verdwijnen ook de insecten die er hun voedsel halen, zoals veldkrekels, sprinkhanen en vlinders. Vlinders onderhouden nauwe relaties met bepaalde plantensoorten. Zonder die planten hebben ze niet te eten, kunnen ze hun eitjes niet afzetten, en als dat al lukt, lijden ook rupsen honger. De heivlinder, de bruine eikenpage en het geelsprietdikkopje zijn al van de Kampina verdwenen.

Gentiaanblauwtje

Cooijmans maakt zich nu grote zorgen over het lot van het gentiaanblauwtje, een vlindersoort die in symbiose leeft met de klokjesgentiaan en een kolonie steekmieren. „Als een van beide verdwijnt, dreigt het einde van de vlinder waarvan er hier nog maar enkele honderden rondfladderen.”

Het verdwijnen van de kalk uit de bodem treft slakken en insecten direct, en indirect de vogels die ze eten. Eierschalen worden niet dik genoeg, waardoor de inhoud verdroogt. Op de Veluwe bleek eerder al dat de botten van jonge koolmezen door kalkgebrek zo broos worden dat ze soms in het nest al breken. Hogerop in de voedselketen hebben roofvogels daaronder te lijden en gaan haviken, sperwers en wespendieven achteruit. Zo tast de verzuring de biodiversiteit aan.

Kraan open

Het werk dat de boswachters op de Kampina verzetten om de gevolgen van de verzuring tegen te gaan, is als dweilen met de kraan open, aldus Cooijmans. „Het helpt pas echt als de overmatige aanvoer van stikstof ophoudt.” Daarvoor zijn grote stappen nodig, die tot nog toe uitblijven. Verlaging van de maximumsnelheid op de wegen en het uitkopen van varkensboeren vormen in zijn ogen nog maar het begin van wat er nodig is. „Om de bijzondere en kwetsbare natuur in zo’n 160 Natura 2000-gebieden te behouden, moet de hoeveelheid stikstof die er terechtkomt de komende vijftien jaar worden gehalveerd. Grotere stappen zijn nodig.”