Tropenarts betaalt opleiding uit eigen zak

Tropenarts Carolien Janse-Brobbel betaalde studie uit eigen zak. beeld RD, Henk Visscher

Tropenarts worden: voor sommigen een kinderdroom, voor anderen een spontane keuze tijdens de studie geneeskunde. Wie intekent voor de ruim twee jaar durende opleiding krijgt flink wat voor de kiezen. Mentaal én financieel.

Ze is net terug uit Sierra Leone. Carolien Janse-Brobbel (29) sloot met een stage van zes maanden in het West-Afrikaanse land haar opleiding tot tropenarts af. Beter gezegd: tot arts internationale gezondheidszorg en tropengeneeskunde – sinds 2014 de naam van de specialisatie. Nu zit ze hoogzwanger thuis, in afwachting van de geboorte van haar eerste kindje.

Janse-Brobbel kiest na de middelbare school voor geneeskunde omdat ze graag een „dienend beroep” wil. „Mijn broertje kreeg op tweejarige leeftijd leukemie. Ik was toen elf. Hij moest intensieve behandelingen ondergaan en is gelukkig genezen. Ik heb sinds die tijd de missie om zieke kinderen beter te maken.”

In eerste instantie wil de Apeldoornse kinderarts worden, en ook verloskunde overweegt ze. Tijdens haar studie geneeskunde ontdekt ze de charme van gezondheidszorg in de tropen. „Dat werk raakte bij mij een snaar die altijd al gespannen was: iets betekenen in zending en het verlenen van zorg. Die twee kwamen samen in het beroep van tropenarts.”

Na vier weken vrijwilligerswerk in een sloppenwijk in de Keniaanse hoofdstad Nairobi, aan het eind van haar derde studiejaar, weet Janse-Brobbel het zeker: tropenarts is wat ze wil. „Ik geloof dat Jezus Zijn leven voor mij gegeven heeft. Uit dankbaarheid wil ik mijn leven aan Hem geven, in Zijn dienst besteden. Voor mij persoonlijk ligt dat in de gezondheidszorg in de tropen.”

Ze stroomt na een strenge toelatingsprocedure in voor de opleiding arts internationale gezondheidszorg en tropengeneeskunde. Een relatief nieuwe specialisatie: voor 2014 was er geen erkende opleiding voor tropenartsen. Afgestudeerde geneeskundestudenten leerden het vak bij een ervaren tropenarts, tussen hun eigen werkzaamheden in het ziekenhuis door.

Sinds 1 januari 2014 is de opleiding erkend. De student heeft de keus uit twee profielen: chirurgie en gynaecologie/verloskunde of kindergeneeskunde en gynaecologie/verloskunde. Na twee jaar opleiding in een Nederlands ziekenhuis volgt de Nederlandse Tropencursus bij het Koninklijk Instituut voor de Tropen in Amsterdam. De tropenarts in spe sluit zijn opleiding af met zes maanden stage in de tropen. Het Opleidingsinstituut Internationale Gezondheidszorg en Tropengeneeskunde is verantwoordelijk voor de opleidingsplekken: zo’n tien stuks.

Flexibel

Janse-Brobbel koos voor de klassieke variant: chirurgie en gynaecologie. „Als je kunt opereren heeft dat een meerwaarde in het buitenland. Dan kun je bijvoorbeeld een buik- of liesbreukoperatie doen. En je weet meer van wondzorg.”

Volgens de Apeldoornse tropenarts moet je „enorm flexibel” zijn voor de opleiding. Bij haar sollicitatie geeft Janse-Brobbel –die dan in Voorburg woont– aan graag in de Randstad te willen studeren, maar ze wordt in een ziekenhuis in Almelo geplaatst. „Ik heb weleens de gedachte gehad dat het opleidingsinstituut dit bewust deed. Als test om te kijken of ik flexibel genoeg ben voor de opleiding.”

Flexibiliteit is niet het enige dat gevraagd wordt van de arts in opleiding tot specialist (aios). Ook financieel komt er het nodige bij kijken. Anders dan bij andere specialismen krijgen ziekenhuizen voor de opleiding arts internationale gezondheidszorg en tropengeneeskunde geen vergoeding van de overheid. Daardoor lopen ze 140.000 euro per student mis. Een bedrag dat ziekenhuizen nu vaak uit eigen zak betalen, aangevuld met financiële middelen van de aios. Die draait in de meeste gevallen zelf op voor de kosten van de diverse (verplichte) cursussen, registraties en buitenlandstages.

Janse-Brobbel berekent uit haar hoofd hoeveel geld ze kwijt was de afgelopen jaren. Tien zaterdagen cursus voor 650 euro; een inschrijving bij de registratiecommissie geneeskundig specialisten voor 350 euro; 6400 euro voor de tropencursus en daarna nog de buitenlandstage van zes maanden. Ze kreeg 250 euro per maand en daarnaast haar onderkomen, eten en vliegticket vergoed. Daarmee had ze het nog goed getroffen: sommige tropenartsen in opleiding krijgen niets voor hun stage. Maar ze miste in die tijd de inkomsten die ze zou hebben bij een baan in Nederland.

Bij elkaar schat de tropenarts in dat ze een slordige 9000 euro kwijt is aan haar opleiding. Terwijl de specialisaties van collega-artsen wel volledig vergoed worden. „Dat voelt soms oneerlijk”, geeft ze toe.

Tropenartsen verdwijnen na hun diplomering naar het buitenland en leveren daardoor onvoldoende hun bijdrage aan de Nederlandse vergoede gezondheidszorg, vond voormalig minister Schippers van Volksgezondheid. Daarom besloot ze de nieuwe opleiding in 2014 niet met overheidsgelden te financieren.

Janse-Brobbel is het oneens met dit besluit. „De verantwoordelijkheid van Nederlandse artsen stopt niet bij de grenzen van een land. Zie onze expertise als iets moois wat Nederland kan bieden aan de rest van de wereld. Bovendien zijn tropenartsen ook hier steeds meer nodig: ze hebben kennis van infectieziekten en tropische ziekten die door globalisering en de komst van vluchtelingen in ons land komen.”

Techniek

Nederlandse tropenartsen kunnen volgens de Apeldoornse bovendien veel leren van de manier waarop collega’s in het buitenland geneeskunde bedrijven. Qua techniek mogen artsen in de tropen misschien minder ver zijn, maar hun manier van leven is tot voorbeeld. „In de tropen heerst het besef dat we niet alles maar moeten doen wat we kunnen om iemands leven te redden. In hun omgang met ziekte, lijden en genezing onderwerpen de mensen daar zich makkelijker. Dat zijn lessen die we in Nederland kunnen gebruiken. Hier blijven we ongeneeslijk zieke mensen vaak lang doorbehandelen.”

Een groot deel van de tropenartsen komt na een verblijf van enkele jaren in het buitenland terug naar Nederland; Janse-Brobbel schat zo’n 95 procent. De artsen gaan aan de slag als huisarts, medisch specialist of als sociaal geneeskundige. Daarvoor moeten ze alsnog een opleiding van drie tot zes jaar volgen.

Hoewel ze van tevoren wist dat het geen vetpot zou worden, heeft Janse-Brobbel zich nooit laten tegengehouden door financiën. „Ik kan me er niet zo druk om maken hoeveel geld ik verdien”, vertelt ze. „Geluk ligt in andere dingen.”

De tropenarts en haar man Sjoerd gaan creatief met hun inkomen om. De box in de hoek van hun Apeldoornse huurwoning komt van Marktplaats. De kinderwagen is wel nieuw. „We hechten niet aan spullen. Ook omdat we nog niet weten wanneer we weggaan, en ze dan weg moeten doen.”

Janse-Brobbel noemt het zuinige leven een „les in tevredenheid.” „Niet bezorgd zijn voor de dag van morgen. Als God je roept voor iets, dan moet je Hem volgen.”

Uitval

Medestudenten schrikken soms terug voor de financiële consequenties van de opleiding. „Ze beginnen eraan maar vinden de cursus bijvoorbeeld te duur en besluiten dan de opleiding niet af te maken. Of ze willen uiteindelijk niet op een buitenlandstage vanwege hun partner.” De uitval tijdens de opleiding is vrij hoog: zeker 10 procent schat Janse-Brobbel in.

Nu ze haar opleiding heeft afgerond, zoekt ze een plek in de tropen om te werken. Haar man is werkzaam op technisch gebied en heeft ook een opleiding tot pastoraal werker afgerond. „Het is onze droom om al die werkzaamheden te kunnen combineren op onze toekomstige werkplek. Zo’n plek heb je niet een-twee-drie gevonden”, zegt ze. „We netwerken en houden vacatures op de website van de Nederlandse Vereniging voor Tropengeneeskunde in de gaten. Zo zoeken we biddend naar een plek.”

Vroeger zou ze die onzekerheid verschrikkelijk hebben gevonden. Tegenwoordig kan ze met een onduidelijk toekomstperspectief goed leven. „Ik geloof dat er Iemand boven staat. Het leven heeft me geleerd op God te vertrouwen en geen zorgen te hebben voor de dag van morgen.”

De kersverse tropenarts zou zo weer voor de opleiding kiezen. „Je werkt met zo veel verschillende mensen, in een omgeving die totaal anders is dan thuis. Het geeft me energie om met beperkte middelen zo veel voor mensen te kunnen betekenen.”

Haar beroep wordt vaak geromantiseerd, maar het is volgens Janse-Brobbel allesbehalve rozengeur en maneschijn. „Het werk in de tropen confronteert je met de kwetsbaarheid van mensen. Er is zo veel ellende. Veel mensen kun je niet redden; sommigen bereiken niet eens het ziekenhuis. Maar de dingen die wel lukken, geven mij hoop.”

Ze noemt een operatie in Sierra Leone die haar is bijgebleven: een vrouw, zwanger van een tweeling, had een gescheurde baarmoeder. „We moesten haar reanimeren op de operatietafel. De baby’s hebben het niet gered, de moeder wel. Dwars door de ellende heen hield ik me eraan vast dat ik de moeder heb kunnen redden.”

Tropenarts betaalt zijn studie zelf

De traditie van Nederlandse tropenartsen is al 112 jaar oud, vertelt Joop Raams. De Amersfoortse huisarts en ex-tropenarts is voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Tropengeneeskunde en internationale gezondheidszorg (NVTG). „Tropenartsen zijn ooit begonnen in Nederlands-Indië. Ze moesten zich specialiseren in tropische ziekten die daar voorkomen. Later gingen ze naar Afrika om complete ziekenhuizen te runnen.”

Volgens Raams is de focus inmiddels verlegd. „We noemen de tropenarts nu arts internationale gezondheidszorg (AIGT, MR). Mensen reizen overal naartoe. De wereld is een dorp geworden. Door klimaatverandering komen tropische ziekten ook hierheen.”

Op dit moment zijn er in Nederland tachtig artsen in opleiding tot tropenarts. Dit aantal stijgt de afgelopen jaren. „Er is flink animo voor de opleiding. We laten per jaar 35 nieuwe studenten toe en selecteren vrij streng op motivatie en competenties.” Het gros van de mensen wordt uitgezonden naar een van de LMIC (landen met een laag of gemiddeld inkomen).

In Nederland bieden 28 ziekenhuizen de opleiding AIGT aan. Die lopen het bedrag dat ze normaal krijgen voor een specialisme, 140.000 euro per student, mis. „Voor de specialisaties gynaecologie en kindergeneeskunde krijgen ze dat bedrag wel,” aldus Raams. „Daardoor zouden ziekenhuizen minder belang kunnen hebben bij de opleiding AIGT.”

Campagne

De NVTG startte in 2018 de campagne ”Into the World”, om aandacht te vragen voor de opleiding en de geldzorgen. Volgens Raams heeft de actie vooral goodwill opgeleverd. „Ziekenhuizen en politici hebben zich positief over de opleiding AIGT uitgelaten.”

Het opleidingsinstituut ontvangt sinds twee jaar een kleine vergoeding, waarvan een aantal fte’s voor een hoofd van de opleiding en medewerker secretariaat betaald worden. Dat is volgens Raams net voldoende om het instituut in stand te houden. Verder draaien opleidingsinstituut en NVTG op vrijwilligers.

Op dit moment ligt er een verzoek bij minister Bruins van Medische zorg en Sport om de opleiding AIGT alsnog te financieren. „De opleiding is erkend. We werken precies volgens de principes van medische specialismen en de huisartsenopleiding. Het enige dat ontbreekt, is financiering.”