Steeds minder diaconessen, steeds meer ziekenhuis

Groepsportret van enkele diaconessen in uitgaanskostuum. De foto is genomen tussen 1905 en 1915. beeld Het Utrechts Archief
5

Het Diakonessenhuis Utrecht veranderde in 175 jaar tijd van een diaconale vrouwengemeenschap in een professioneel ziekenhuis. Oog voor de patiënt is er nog steeds, maar evangeliseren aan het ziekbed, nee, dat gaat niet meer.

In het Diakonessenhuis in Utrecht lag in 1875 „eene teeringlijderes van ongeveer twintig jaren.” Aanvankelijk sloeg ze geen acht op de opmerking van een medepatiënt „dat onze ziel veel kranker is dan het lighaam, zoolang wij nog onbekeerd daar heen leven.” Maar op een zekere dag voelde een diacones die haar verpleegde, zich verplicht om „in getrouwheid met haar te spreken over het eeuwig welzijn harer onsterfelijke ziel en hoe noodig het is zich zelf als verloren zondaar en Jezus als Zaligmaker te leeren kennen.”

De anekdote, die eindigt met de bekering van de zieke, haalt prof. dr. M. J. van Lieburg aan in ”Met het beste wat men heeft en kent”, zijn boek over de geschiedenis van het Diakonessenhuis Utrecht. Het verscheen bij het 150-jarig bestaan van het huis.

De medische instelling begon als een gemeenschap van protestantse verpleegsters. In de huidige ontvangsthal herinnerde een jubileumtentoonstelling het afgelopen jaar aan de illustere geschiedenis. Op handgeschreven kaartjes loofden patiënten de vriendelijke verpleging. Die benadering zou een erfenis kunnen zijn van de diaconessengemeenschap. De persoonlijke manier waarop de zusters en arts(en) hun patiënten verpleegden, was in 1844 uniek. In die tijd kregen zieken nauwelijks aandacht.

Zondagavondzang in 1954, uitgevoerd door het Zusterkoor. beeld Het Utrechts Archief

Vijf bejaarde diaconessen –in ruste– representeren nog het verleden, waarin dienstbaarheid en evangelisatie aan het bed vanzelf spraken. Een verleden dat wortelt in het Reveil. De oprichting van diaconessengemeenschappen elders in Europa inspireerden Utrechtse voormannen van de opwekkingsbeweging –behorend tot de Nederlandse Hervormde Kerk– om ook in Nederland een instelling te vestigen.

Nota bene Groen van Prinsterer, die overigens tot de Haagse kring behoorde, staat te boek als de ‘peetvader’ van het Diakonessenhuis. Hij reisde rond 1840 met zijn vrouw Betsy naar het Duitse Kaiserswerth om daar de opbouw van de eerste diaconessengemeenschap te bekijken. Isaäc Da Costa stond de helft van de entreegelden voor zijn voorlezingen over Israëls geschiedenis af aan het Utrechtse huis.

Het vrouwendiaconaat waaide in de jaren dertig van de negentiende eeuw over vanuit Duitsland. De lutherse predikant Theodor Fliedner, vader van de diaconessenbeweging, droomde ervan om vrouwen die hun geloof in daden wilden vertalen, dienstbaar te maken aan de verkondiging van het Evangelie en de leniging van noden. Zijn idealen leidden ertoe dat in 1844 drie verpleegsters aan de slag gingen in het eerste diaconessenhuis van Nederland.

De Utrechtse hoogleraar B. F. Suerman gaf de aspirant-diaconessen onderwijs aan het bed van de patiënten. Verder kregen ze les in geografie, schoonschrijven, zang, koken, ethiek en godsdienst. De zusterkring groeide geleidelijk en bestond in de jaren zeventig van de negentiende eeuw uit dertig à veertig vrouwen.

Een diacones deed haar werk vrijwillig. Ze was ongehuwd of weduwe. Wie trouwde, verliet het huis. Een brochure uit februari 1844 bevat een oproep aan toekomstige diaconessen, „door geene huisselijke betrekkingen gebonden (…) en wier hart toch brandende is om hare liefde te toonen aan Hem.”

Voor alles was het Utrechtse Diakonessenhuis een gemeenschap van diaconessen, pas daarna kwam de taak, in dit geval de ziekenverzorging. In Nederland en in heel Europa werkten diaconessen veelal in de ziekenverzorging, maar niet alleen daarin. Ze hadden ook oog voor gevangenen, armen en de inwendige zending. De arbeid van de zendingsdiaconessen in Amerongen is hier een voorbeeld van.

Een diacones kreeg kost en inwoning in het moederhuis en daarnaast bovenkleding. In de begintijd een donkerblauwe jurk met witte stip, na aanscherping van de kledingregels een katoenen japon met een wit schort en een witte muts. „Het haar eenvoudig opgemaakt, geen kammen, liefst een scheiding in het midden, niet over de ooren.”

Op zondag droegen de vrouwen een eenvoudige donkere japon, een zwarte jas met een cape erover en een zwarte sluier. Ook het „uitgaanskostuum” was zwart. Abraham Kuyper maakte zich in zijn boekje ”Drie kleine vossen” druk over het feit dat de verpleegsters in een rouwgewaad over straat gingen. Zo’n gewaad, dat het dood-zijn voor de wereld uitdrukt, vond hij niet passen in de protestantse traditie, evenals de benaming zuster. Overigens was hij niet de eerste die kritiek had op de kloosterkleur van het diaconessenwezen.

De laatste maaltijd in het Diakonessenhuis aan de Oudegracht, net voor de verhuizing (1929) naar de Bosboomstraat. beeld Het Utrechts Archief

Roeping

Omdat het Diakonessenhuis tegelijk evangelisatiepost was, werden er door het bestuur hoge eisen gesteld aan het geestelijk leven van de aspirant-zusters. Al vrij snel na de oprichting van het huis ontstond er wrijving in het bestuur omdat „de geest der inrichting zoo afgescheiden werd.” De toelatingseisen werden in de loop van de jaren onmiskenbaar verzwaard, tekent Van Lieburg op. In 1855 sprak het bestuur van de noodzaak van „eene bepaalde inwendige roeping des H. Geestes” en in 1860 moesten diaconessen zich er „op goede gronden” bewust van zijn dat zij „den Heeren Jezus toebehooren.”

In het Diakonessenhuis heerste een duidelijke rangorde. Aan het begin van de twintigste eeuw onderscheidde het huis voorproefzusters (wier geschiktheid voor de ziekenzorg nog moest blijken), proefzusters (zij volgden de driejarige verpleegkundigenopleiding) en gediplomeerde zusters. En dan was er nog de inzegening tot diacones, voor wie dat wilde. Iedere groep had haar eigen soort muts, al dan niet met lange plooien of pijpjes.

Voorproefzusters bereidden zich voor op de opleiding tot verpleegkundige door middel van huishoudelijk werk en het volgen van lessen, zoals Bijbels onderwijs en schrijfles. Ook liepen ze ‘stage’ op de verschillende afdelingen. Enkele van de regels waaraan ze zich moesten houden: niet te laat aan tafel komen, eens per week baden, na acht uur ’s avonds niet uitgaan, voor zeven uur ’s morgens het bed opmaken en de wastafel schoonmaken, om tien uur in de avond het licht uitdoen.

Ook de proefzusters oefenden zich in een strakke discipline en hoge moraal. Zo was het bijvoorbeeld streng verboden om in het bijzijn van anderen aanmerkingen te maken op het werk van leidinggevende zusters. Praatziekte en tijdverkwisting waren uit den boze, ook in de vrije tijd.

Een diacones diende ter verpozing haar geest te verfrissen met leerzame lectuur. In huizen van armen mocht zij niet laten merken dat een tekort aan middelen haar het werk belemmerde, aldus een instructie uit 1887. Vanaf 1892 ontvingen de zusters een geldelijke tegemoetkoming van het bestuur.

Diaconessen assisteren de chirurg bij een behandeling in de operatiekamer van het Diakonessenhuis. De foto is gemaakt tussen 1890 en 1910. beeld Het Utrechts Archie

Nieuwe geest

In een eeuw tijd (1844-1944) werden er in totaal 245 vrouwen tot diacones ingezegend. Aan het begin van de twintigste eeuw besloot het bestuur om het Diakonessenhuis aantrekkelijk te maken als opleidingsschool voor het diploma ziekenverpleging. Inzegening is mogelijk, maar zeker niet noodzakelijk, luidde de boodschap.

De totale zusterkring bleef tot na de Tweede Wereldoorlog sterk groeien. Daarna begon de diaconessentraditie af te brokkelen. Al eerder in de historie van het huis stond de identiteit onder druk, aan de ene kant door de voortgaande professionalisering in de zorg, aan de andere kant door ontwikkelingen in de samenleving. Een verslag uit 1931 spreekt van een „nieuwe geest onder de mensen” en een „zucht naar vrijheid” bij vrouwen, die op gespannen voet stonden met het onbaatzuchtige dienstwerk van de zusters. Een jaar later werd de vrees geuit „dat de diacones haar tijd gehad heeft, dat zij vervangen moet worden door de christelijke verpleegster. (…) De gedachte aan gezin en gemeenschap dreigt losgelaten te worden.”

Het huis veranderde van karakter, hoe graag sommigen dat ook wilden voorkomen. Steeds minder was het een gemeenschap van zusters, steeds meer een medische instelling. Het werk van barmhartigheid verloor aan betekenis. Om de identiteit van het Diakonessenhuis te bewaren, werd nog sterker ingezet op goede godsdienstlessen –die toch al het belangrijkste onderdeel van het rooster waren– en geestelijke vorming van de verpleegkundigen.

In de jaren zestig kwam er een einde aan de lange reeks inzegeningen. De glans was eraf. Binnen enkele jaren liep het aandeel diaconessen op het totale personeelsbestand terug van 10 naar 5 procent.

De leefstijl van de medewerkers drukte iets uit van de veranderende identiteit, noteert Van Lieburg in het geschiedenisboek. Het diaconessenkostuum verdween. Nieuwe werktijden en de invoering van de vijfdaagse werkweek zorgden voor een drastische terugloop van het bezoek aan de huispredikant, die de lange middagpauze gebruikte om personeel en met name de zusters pastoraal bij te staan. De komst van een cafetaria in het personeelsrestaurant betekende het einde van de tafelliturgie. Het dagelijkse Bijbellezen in de ziekenkamers en -zalen stond onder druk en de animo voor de weeksluiting op de vrije zaterdagavond taande.

Modern ziekenhuis

In 1979 veranderde de formulering van de grondslag in de statuten. Sprak de stichting ”Inrichting der diakonessen” in 1975 nog over de grondslag van „het Evangelie van Jezus Christus, zoals dat is overgeleverd in de boeken van de Heilige Schrift”, in de nieuw geformuleerde statuten wilde zij zich „laten leiden en inspireren door de Bijbelse boodschap van gerechtigheid en barmhartigheid, zoals deze gestalte heeft gekregen in de Heer Jezus Christus.”

Algemeen directeur ds. De Planque schreef in het jaarverslag over 1980 hoe „de idee van Gods reddende liefde had plaatsgemaakt voor wetenschappelijk gefundeerde onderzoeks- en behandelingsmethoden” en hoe de komst van medewerkers die geen verwantschap voelden met het confessionele karakter van het ziekenhuis een veelvormige levensbeschouwing opleverden.

Breedvoerige gesprekken over de identiteit kwamen in de jaren negentig niet meer voor. De idealen van oprichters en latere fakkeldragers waren verbleekt. Een modern ziekenhuis verving de diaconale vrouwengemeenschap. „De soms hoge pretenties”, schrijft Van Lieburg, „waren nu voorgoed verdwenen.”

Ali Hendriks. Beeld RD, Henk Visscher

De laatste actieve diacones

Het is 4 november 2019, op de dag af 175 jaar geleden dat het Diakonessenhuis in Utrecht na het lezen van de Psalmen 121 en 123 in bedrijf ging. Het ziekenhuispersoneel –gehuld in rode gelegenheidsshirtjes– trapt de festiviteiten af in de ontvangsthal. Een projectkoor zal vandaag zingend de afdelingen langsgaan, precies zoals de diaconessen op zondag altijd plachten te doen.

De zorg gaat intussen door. Patiënten melden zich bij de balie, anderen staan met hun parkeerkaartje in de rij voor de betaalautomaat. Een troepje verpleegkundigen duwt gehaast een rolstoel voort en probeert intussen te voorkomen dat de grauw ogende inzittende onderuit glijdt.

Verdwaald

Mevrouw Ali Hendriks (87) komt licht hijgend de lift uit. De enige nog werkzame diacones heeft bezigheden genoeg en ze wil op tijd zijn voor het interview. Maar eerst schiet ze een vrouw te hulp die verdwaald is en vertwijfeld om zich heen kijkt. Hand op de arm. Luisteren. Geduldig de weg wijzen. Diacones Hendriks zit in haar rol. Ook na haar pensionering bleef ze actief, als jongste en enige van de vijf nog levende diaconessen. In 2020 heeft ze er bij leven zeventig dienstjaren opzitten. Het werk houdt haar fit, zegt ze even later in een leegstaande werkkamer. „O ja, heerlijk. Ik ben blij als ik er weer heen kan huppelen.” Bij wijze van spreken dan, want de regiotaxi rijdt haar drie ochtenden per week vanuit haar woonplaats De Bilt naar het ziekenhuis. „Ik zorg voor de artsen, voor soep en koffie, voor schone jassen, en ik breng de post rond. Zij kunnen mij niet missen, ik kan hen niet missen.”

Ali Hendriks vindt het niet prettig dat ze in het artikel alleen bij haar achternaam genoemd wordt. Ali Hendriks mag wel. Of mevrouw Hendriks.

Op 16 oktober 1950 kwam ze als jongedame van bijna achttien jaar het Diakonessenhuis binnen. Van een roeping of een zelfstandige keuze was geen sprake. De directrice van het Haarlemse internaat waar ze tot op dat moment woonde, bracht haar naar Utrecht. Zo ging dat.

Er woonden en werkten op dat moment nog over de honderd diaconessen, herinnert mevrouw Hendriks zich. Ze deed eerst vier jaar ervaring op in de keuken en begon als 22-jarige aan de opleiding tot verpleegkundige. „De artsen die hier werkten, gaven les. En de dominee gaf godsdienst. Injecties geven en onderzoek doen, leerde je op de afdeling. Het was hard werken hoor. Zalen soppen en dweilen. Bedden verschonen. Dat kwam er allemaal bij. We hebben er niks van gekregen. Nu zuchten ze al als ze een halfuurtje langer moeten werken. O mensen, houd toch op. Ik had soms tachtig mensen in de poli. En ik was maar in m’n uppie.”

In 1962, twaalf jaar nadat ze zich bij de gemeenschap voegde, ontving mevrouw Hendriks de inzegening tot diacones. Ze voelde zich thuis in ”het Diak”. Uittreden heeft ze nooit overwogen. „Als je een vriend kreeg, moest je eruit in die tijd. Maar míjn vriend is voorbijgelopen. Toen mocht ik hier blijven.” Ze grinnikt.

De zorg voor patiënten was haar op het lijf geschreven. Ze hield vooral van de baby’s. „Die zeggen niets, maar ze voelen alles. Als je er een dag niet was, spuugden ze allemaal.”

Onderling praten was voor de verpleegsters niet toegestaan. Als ze op de gang wat woorden wisselden, stuurde de hoofdzuster hen subiet weer naar de patiënten toe. „Daar moest je zijn. De hoofdzusters waren streng, maar goed.”

Borreltje

De fitte 87-jarige gluurt even tussen het raamfolie door om te zien wie er door de gang loopt. Ze kent vele personeelsleden. De diaconessen en artsen waren voor haar als familieleden. Haar kamer bevond zich op de zevende verdieping van het zusterhuis. Eten en koffiedrinken deed je samen, vertelt ze. „Alleen was je eigenlijk nooit. ’s Avonds deden we een borreltje. Of we kropen stiekem het raam uit om samen de stad in te gaan, naar café Dikke Dries.” De portier kneep een oogje toe.

’s Avonds niet uitgaan, was een van de regels van het huis. Evenals het bijwonen van de dagopening in de kerkzaal en het zingen bij het orgeltje. Mevrouw Hendriks moet even nadenken over de vraag of zij haar werk voor God deed. „Niet zozeer voor God”, zegt ze dan. Wel kwam haar dienstwerk voort uit haar geloofsovertuiging. Ze vertelt over een tegel die bij de oude ingang van het ziekenhuis hing. ”Dienende in liefde”, stond erop. Dat is wat ze wilde. En wat ze nog steeds graag doet. Hoewel niet meer in de kenmerkende diaconessendracht; doordeweeks een donkerblauwe jurk met witte stippeltjes en een wit kapje, ’s zondags „een zwarte jas met een pelerientje (cape, EHvS) en een zwarte sluier.”

De verschillende categorieën werkers waren te onderscheiden aan hun uiterlijk. Mevrouw Hendriks: „Beginners droegen een gebaksdoosje, de proefzusters een muts met staartjes (lange plooien), en diaconessen een muts met pijpjes.”

De bejaarde dame is een van de laatste diaconessen die intraden in Utrecht. Daarna werd het rustig aan de poort. In de jaren die volgden, vergrijsde en kromp het corps.

Weemoed

Wikipedia vermeldt: „In augustus 1997 is de laatste diacones uit het huis vertrokken.” Dat gaat over de pensionering van mevrouw Hendriks. Ze spreekt nog steeds met weemoed over de voorbije tijd. Over de band met de hoofdzusters die als een tweede moeder voor haar waren. „Die miste ik wel. Je kon met alles bij hen terecht.”

Maar ze wil niet klagen, zo spreekt ze zichzelf toe. „Het kan niet anders, want het is een andere tijd. Ik heb een goed leven gehad.”

2019-11-21-katDO7-leefgemeenschap-6-FC_webDiaconale leefgemeenschap: met elkaar heb je meer handen