Ook de huisarts trekt soms een grens

beeld SaltyStock, Gemma Pauwels

Zijn huisartsen alleskunners? Of mogen ze patiënten weigeren als de zorgvraag hun kunde te boven gaat? Voor familieleden is dit, lastig genoeg, niet altijd duidelijk.

Goede zorg regelen voor ouders die naar een woonzorghuis willen; welk kind wil dat niet? De zoon van een bejaard echtpaar in elk geval wel. Zijn vader is volledig rolstoelafhankelijk en lijdt aan dementie. Hij is opgenomen in een verpleeghuis, waardoor hij gescheiden woont van zijn vrouw.

Verkassen naar een woonzorgcentrum lijkt dé uitkomst te zijn. Daar een appartement huren, betekent immers dat beide echtelieden weer samen kunnen zijn. Voor de familie een mooi vooruitzicht dat het ongemak dat het vele regelwerk met zich meebrengt aanzienlijk verzacht.

Formaliteit

Aan het werk, is het motto van de zoon. Een van zijn eerste acties betreft het overschrijven van zijn vader naar een nieuwe huisartsenpraktijk, gevestigd in de plaats waar ook het woonzorghuis staat. Het lijkt een formaliteit: formulieren opvragen, invullen en versturen en klaar.

Het wekt dan ook de nodige irritatie als de huisartsassistentes van de nieuwe praktijk twee weken na de aanvraag formeel nog niet kunnen bevestigen dat de inschrijving rond is. Ergerniswekkend, vindt de zoon. Als zijn vader enkele dagen moet worden opgenomen in het ziekenhuis, zonder dat de overdracht goed is afgerond, maakt het ongenoegen plaats voor boosheid. Wie is nu het eerste aanspreekpunt? Zelfs na het ziekenhuisontslag is het de familie nog niet duidelijk.

Een specialist ouderengeneeskunde van het aan het woonzorghuis gelieerde verpleeghuis wil uiteindelijk de verantwoordelijkheid op zich nemen, maar stelt wel als voorwaarde dat de vader bij een huisarts bekend moet zijn.

Daarop besluit de familie een nieuwe huisartsenprakijk aan te zoeken, die de inschrijving zonder mitsen en maren vrijwel meteen in orde maakt.

Getalm

Eind goed, al goed? Toch niet, want samen met een broer maakt de zoon van het getalm van de als eerste benaderde arts een zaak bij de tuchtrechter. Zo lang over een inschrijfverzoek doen, kan dat wel?

Tijdens de zitting legt de aangeklaagde huisarts uit hoe de zaak, nadat de ingevulde documenten op de praktijk waren gearriveerd, al snel in een stroomversnelling kwam. Het woonzorghuis oordeelde dat alles al in kannen en kruiken was en begon meteen enthousiast met het afvuren van allerlei zorg- en materiaalvragen. Die heeft hij, benadrukt de arts, ook zonder omwegen naar beste kunnen beantwoord. Het bijpraten van de familie moest daardoor even wachten.

Maar er is ook een andere kant. Het type vragen maakte duidelijk dat het hier een patiënt met een intensieve zorgbehoefte betrof. Voor de patiënt was een zzp-5-indicatie aangevraagd; een status die het woonzorghuis de mogelijkheid gaf om de door de verzekeraar te vergoeden zorg te intensiveren. Het stuk was voor hem een eye-opener: als het een patiënt met zo’n zorgzwaarte betrof, ging dat zijn kunde te boven en zou een inschrijving in zijn praktijk onverstandig zijn.

Voordat hij dat kon meedelen, had de familie het inschrijfverzoek al weer ingetrokken, zo blikt de arts terug.

Geldig excuus

Hoe de zaak afloopt? Met de klagende familie is de tuchtrechter het eens dat de arts hen wel een tijd in het ongewisse liet. Maar hij heeft een geldig excuus: tegen wil en dank was hij al gebombardeerd tot vraagbaak en van die rol kweet hij zich met verve. Kern van de zaak is echter dat het tuchtcollege de inschrijfweigering acceptabel vindt: de gezondheidssituatie van de vader was dermate complex dat deze meer kennis en kunde vergde dan van een huisarts mocht worden verwacht.

Dat een ander het wel aandurfde, prima. Maar verder is de boodschap helder. De huisarts de rol van alleskunner opdringen, dat gaat een stap te ver.