Grenzen aan de stervenszorg

Medische misser
beeld iStock

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (CTG) herzag recent twee uitspraken van lagere tuchtraden over palliatieve zorg. Wat betekenen de nieuwe uitspraken voor dokters en verpleegkundigen?

Een lijvig document. Zo mag de richtlijn palliatieve sedatie van artsenorganisatie KNMG, een tekst van 80 A4’tjes, wel worden genoemd. Dat de beroepsvereniging zo uitvoerig op de stof ingaat, is gezien de precaire materie natuurlijk terecht. Het gaat immers om het opzettelijk verlagen van het bewustzijn van een terminale patiënt en het niet langer meer toedienen van eten of drinken. Het zetten van zo’n stap vergt behoedzaamheid.

Veelomvattendheid heeft echter ook een keerzijde. De tekst van de richtlijn is op onderdelen dermate globaal dat er tuchtzaken voor nodig zijn om de gewenste verheldering aan te brengen. Vroeg of laat is er dus altijd wel een arts die de pech heeft als de spreekwoordelijke proefpersoon te mogen fungeren. De tuchtraad grijpt dan zijn of haar handelwijze aan om een bindende interpretatie van het document te geven.

Actieve houding

Zo kreeg een huisarts ruim een jaar geleden een berisping omdat hij de optie van palliatieve sedatie te laat ter sprake zou hebben gebracht bij een terminale parkinsonpatiënt die al bij herhaling een doodswens had geuit. Het verweer van de arts dat de patiënt zich al een paar keer wisselend had uitgelaten over zijn stervenswens, én dat de pijn vooralsnog beheersbaar was door de doseringen van de al in gang gezette medicatie te verhogen, werd verworpen. De klacht van de familie werd gegrond verklaard. Volgens de uitspraak was de arts gehouden het starten van palliatieve sedatie met de patiënt te bespreken.

Vorige maand vernietigde het CTG de uitspraak echter, met als argument dat er in de gegeven omstandigheden „onvoldoende aanknopingspunten” waren om een dergelijke actieve houding van de arts te verlangen. Toegegeven, zo’n uitspraak is bijzonder sterk toegesneden op de specifieke casus, waardoor hij aan zeggingskracht inboet. Duidelijk is wel dat de hoogste tuchtrechter wil wegblijven van de suggestie dat palliatieve sedatie voor patiënten makkelijker afdwingbaar moet zijn. Dat is winst, want nog meer juridisering rond het sterfbed is ongewenst.

Eveneens in januari 2018 ging een palliatief verpleegkundige op de bon. De man verleende zorg aan een terminale alzheimerpatiënte en aan haar echtgenoot die haar verzorgde. Na haar overlijden klaagde de weduwnaar dat de verpleegkundige hem onvoldoende had voorbereid op het verloop van het stervensproces. Concreet had hij graag vooraf vernomen dat de ademhaling van een stervende in de laatste uren voor het overlijden almaar hoorbaarder kan worden én kan gaan stokken. Nu bezorgde deze gewaarwording hem een paniekaanval, waardoor hij midden in de nacht de huisartsenpost moest bellen om raad.

De regionale tuchtraad was het met de klager eens: de door de verpleegkundige verstrekte informatie was te algemeen. Hij had meer zijn best moeten doen om de informatiebehoefte van zijn cliënt te achterhalen, bijvoorbeeld door te vragen waar hij tegen opzag of bang voor was.

Scenario

Sympathiek, zo’n uitspraak? Zonder meer, maar is het ook realistisch om van verpleegkundigen te eisen dat hun informatievoorziening uitputtend is? Het CTG vindt in elk geval van niet.

Erg belangrijk is, zo volgt uit de nieuwste uitspraak, dat verpleegkundigen benadrukken dat hun organisatie 24 uur per dag bereikbaar is, zoals deze hulpverlener ook had gedaan. Is de boodschap: ”Wat er ook gebeurt, u kunt altijd bellen” niet veel effectiever dan een bespiegeling over elk denkbaar scenario? Hoe dan ook, een hulpverlener is in de eerste plaats een hulpverlener. En dus geen wandelende encyclopedie.