Dodelijke tabaksindustrie kon vrij haar gang gaan

De tabaksindustrie heeft decennialang de risico’s van roken ontkend of gebagatelliseerd. Ook heeft ze jarenlang actief overheidsbeleid beïnvloed en wetenschappers omgekocht, zo laat Bouma in ”De sjoemelsigaret” zien. beeld iStock
2

Grote frustratie. Dat gevoel overmant je tijdens het lezen van ”De sjoemelsigaret. Hoe artsen en overheid de tabaksindustrie vrij spel gaven” van de Trouwjournalist Joop Bouma. „De tabaksindustrie is een van de meest meedogenloze bedrijfstakken ter wereld.”

Bouma laat zien hoe de tabaksindustrie ruim een halve eeuw vrijwel ongestoord haar dodelijke waren aan de man kon brengen.

Al in 1953 vonden studies een verband tussen roken en longkanker. Fabrikanten wisten dat, maar hebben daar nooit uit eigen beweging voor gewaarschuwd. Terwijl ze verplicht zijn risico’s van hun producten kenbaar te maken. Een citaat van Peter Römer, die lijdt aan longemfyseem als gevolg van roken: „Ze hebben ons belogen, bedrogen en alleen hun eigen gewin voor ogen gehad. Ze hebben de dood van hun klanten op de koop toe genomen.”

In Amerika overlijden jaarlijks 138.000 mensen aan de gevolgen van nicotine, zo vertelt de tabaksfabrikant Philip Morris in 1979 aan Victor DeNoble, die als wetenschapper bij het bedrijf werkt. In Nederland sterven jaarlijks 20.000 mensen door roken, wat neerkomt op twee doden per uur. En toch liggen de pakjes sigaretten nog gewoon voor het grijpen. Weliswaar met nare plaatjes erop, maar daar heeft de verslaafde roker geen boodschap aan.

Rechtszaken tegen de dodelijke business lopen doorgaans op niets uit. Tabaksproducenten gaan vrijuit, de roker kiest er immers zelf voor om een peuk op te steken? Fabrikanten verzwijgen of durven zelfs te ontkennen dat hun producten verslavende stoffen bevatten. Door de verslavende werking is het de vraag in hoeverre een roker nog de vrije wil heeft om een pakje shag te laten liggen.

Nicotine

Tabak bevat van nature het verslavende zenuwgif nicotine. Nicotine zou eruit gehaald kunnen worden, maar fabrikanten willen dat voor geen goud. Dat zou namelijk het einde van hun handel betekenen. Sterker nog, een pakje sigaretten is in feite een „opslagdepot voor een dagelijkse dosis nicotine. En bekijk de sigaret als de houder van een eenheid nicotine”, schrijft wetenschapper William Dunn in een document van Philip Morris. Daarom is volgens Dunn in feite niet de sigaret, maar nicotine hét product van de tabaksindustrie. Toch hebben zeven Amerikaanse sigarettenfabrikanten het lef om –in een nog altijd op YouTube te vinden filmpje– tegenover het Amerikaanse Congres onder ede te verklaren dat nicotine niet verslavend is.

Alsof nicotine nog niet verslavend genoeg is, laat Philip Morris in 1980 door DeNoble uitzoeken of er meer verslavende stoffen bestaan die aan sigaretten toegevoegd kunnen worden. DeNoble ontdekt dat aceetaldehyde, een stofje dat vrijkomt bij de verbranding van suikers, van zichzelf verslavend is én het effect van nicotine versterkt. Prompt verhoogt de tabaksfabrikant de hoeveelheid toegevoegde suikers in sigaretten. Met resultaat: Marlboro wordt in 1987 de best verkopende sigaret ter wereld.

Een ander stofje dat vroeger aan sigaretten werd toegevoegd, is coumarine. Reeds in 1968 wist de tabaksindustrie dat dit spul niet deugt. Toch bleef ze het kankerverwekkende additief gebruiken tot 1985, toen het verboden werd. Volgens wetenschapper Jeffrey Wigand is coumarine „buitengewoon geschikt om de rauwe smaak van tabak te maskeren.”

Andere stoffen in sigaretten hebben als functie om de smaak te verbeteren, de hoestprikkel te remmen of de luchtwegen te verwijden en zo het roken makkelijker te maken. Ammoniak bevordert de nicotineafgifte en daarmee het verslavende effect.

Volgens het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu bevatten tabaksproducten in 2014 zeker 673 verschillende additieven. Deze stoffen vormen daarmee ruim een kwart van het gewicht van een sigaret.

Voor de hoeveelheden teer, nicotine en koolmonoxide die een sigaret mag bevatten, zijn richtlijnen opgesteld. Deze stoffen worden gemeten met behulp van een rookmachine, die een vastgesteld aantal trekken van een sigaret neemt. De sigarettenhouders van zo’n rookmachine dekken een klein gedeelte van een sigarettenfilter af. Daar hebben tabaksfabrikanten een truc op bedacht: kleine gaatjes in het filter.

Tijdens het testen van een sigaret wordt lucht van buitenaf aangezogen, waardoor de concentratie teer en nicotine die gemeten wordt lager is.

De meeste gaatjes zitten op de plek waar een roker de sigaret tussen zijn vingers neemt. Tijdens het roken wordt er dus veel minder lucht aangezogen, en krijgt de roker hogere gehaltes aan giftige stoffen binnen dan je op basis van de officiële meetwaardes zou verwachten. Vooral bij ultralighte sigaretten kan de luchtventilatie in een rookmachine oplopen tot ver boven de 50 procent. Rokers van deze sigaretten denken vaak dat ze gezonder roken, terwijl ze in feite ongeveer evenveel nicotine binnenkrijgen als rokers van gewone sigaretten.

Al in 1985 ontdekt onderzoeksinstituut TNO dat machinaal roken sterk afwijkt van menselijk roken. Het rapport gaat naar het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), maar er wordt niets mee gedaan.

In 2000 worden de teer- en nicotinegehaltes teruggedrongen naar respectievelijk 10 en 0,2 milligram. „Bij de tabaksindustrie worden er gewoon wat gaatjes bijgeprikt.”

De overheid trad niet daadkrachtig op tegen de tabaksindustrie omdat roken geld oplevert, stelt jurist Kaj Hollemans, die werkte bij het ministerie van VWS. „Tabak was voor de overheid een prachtige bron van inkomsten, die ieder jaar gegarandeerd miljarden aan accijnzen oplevert.”

De tabaksindustrie is jarenlang een vaste gesprekspartner van de overheid geweest, stelt Hollemans, hoewel dat in strijd is met artikel 5.3 uit een antirookverdrag van de Wereldgezondheidsorganisatie.

Keerpunt

Pas rond 2016 komt er een keerpunt in de invloed van de tabaksindustrie op het antirookbeleid, als staartje op een eerder aangespannen rechtszaak over artikel 5.3 door de longartsen Wanda de Kanter en Pauline Dekker.

Staatssecretaris Van Rijn van VWS scherpt de regels dan fors aan. In 2018 worden de gevolgen pijnlijk duidelijk, als de opvolger van Van Rijn, Blokhuis, zijn preventiebeleid in de gezondheidszorg vorm wil gaan geven. Allerlei bedrijven schuiven aan bij het overleg, maar de tabaksindustrie ontbreekt.

De tabaksindustrie heeft decennialang de risico’s van roken ontkend of gebagatelliseerd, besluit Bouma. Tot 2000 is ze blijven ontkennen dat roken verslavend is. Verder heeft de sector bewust politici, artsen en wetenschappers omgekocht om twijfel te zaaien over de gevaren van roken. Ze heeft miljoenen gestoken in „georganiseerde ondermijning van overheidsbeleid.” Zijn conclusie: „Dan moet je niet verbaasd zijn dat uiteindelijk het laatste sprankje vertrouwen is verdwenen.”

Ontroerend

”De sjoemelsigaret” leest als een trein. Spannende passages over rechtszaken wisselen elkaar af met ontroerende gedeeltes over terminale longkankerpatiënten en informatieve beschrijvingen van bijvoorbeeld additieven in sigaretten. Bouma slaagt erin de lezer te laten delen in het gevoel van frustratie dat veel kankerpatiënten hebben bij mislukte rechtszaken tegen de tabaksindustrie. Een lijvige bronnenlijst geeft het boek een solide onderbouwing. Helaas ontsiert een enkele vloek het boek.

Boekgegevens

De sjoemelsigaret. Hoe artsen en overheid de tabaksindustrie vrij spel gaven, Joop Bouma; uitg. Atlas Contact; 240 blz.; € 21,99