Waarom de geallieerden Auschwitz niet bevrijdden

AUSCHWITZ. In het concentratiekamp Auschwitz zijn in de Tweede Wereldoorlog ruim een miljoen mensen omgekomen. Van de slachtoffers was negentig procent Joods. Een van de grote vragen is waarom de geallieerden nooit de treinsporen naar het kamp hebben bombarderen. beeld RD/Henk Visscher

Het is vrijdag, 27 januari, alweer 72 jaar geleden dat Auschwitz door de Russen werd bevrijd. Nog altijd vragen velen zich af: Waarom hebben de geallieerden het concentratiekamp nooit gebombardeerd?

Het was paus Franciscus die in juni 2015 tijdens een bezoek aan Turijn zich laatdunkend uitliet over de houding van de geallieerden tijdens de Tweede Wereldoorlog. „Waarom deden de Amerikanen en de andere wereldmachten niets toen Joden en andere groepen naar de vernietigingskampen werden gedeporteerd om daar vermoord te worden, terwijl ze reeds lang door hun eigen inlichtingendiensten op de hoogte waren gesteld van de grootschalige slachting die daar al geruime tijd plaatsvond?”

De paus was niet de eerste die die vraag stelde. En zolang er geen bevredigend antwoord komt is hij ook niet de laatste. Het is zeer de vraag of dat antwoord er ooit komt.

Het is een vaststaand gegeven dat de geallieerden van Auschwitz en de moord op de Joden wisten. Al in mei 1942 bereikten rapporten de Poolse regering in ballingschap in Londen. Een naam die in dit verband altijd wordt genoemd is die van de Poolse koerier Jan Karski. Hij wist in 1942 vanuit bezet Polen het vrije Westen te bereiken en zei dat het uitroeien van de Joden onderdeel was van de Duitse oorlogsstrategie. Hij werd zelfs ontvangen door de Amerikaanse president Roosevelt. Vooral Karski’s verhaal over het getto van Warschau maakte indruk. Roosevelt zei bij zijn vertrek dat „wij de oorlog zullen winnen.”

Het bleef bij woorden. Op 17 december 1942 veroordeelden Amerika, Groot-Brittannië, de Sovjet-Unie en de acht regeringen-in-ballingschap van door de Duitsers veroverde landen gezamenlijk Duitslands „beestachtige vernietigingsmethodes ten zeerste.” Via de BBC kon iedereen horen: „Van de gedeporteerden heeft men niets meer gehoord. De arbeidsgeschikten worden in kampen tot zwaar werk gedwongen. De zieken en zwakken laat men door onderkoeling of honger sterven, of ze worden massaal geëxecuteerd.”

Een Brits verkenningsvliegtuig maakte op 25 mei en 31 augustus 1944 luchtfoto’s met beelden van een rij gevangenen, duidelijk op weg naar Crematorium II. Niemand bij de luchtmachtstaf had er oog voor.

Op het concentratiekamp Auschwitz of op de spoorwegen richting het kamp is nooit een bom gevallen. Volgens krijgshistorici was een bombardement op de gaskamers van Auschwitz voor 1944 geen reële optie omdat het kamp buiten het bereik van de geallieerde vliegtuigen lag. Berlijn bijvoorbeeld werd pas in 1944 voor de eerste keer gebombardeerd, en dat gebeurde ten koste van 69 bommenwerpers.

In zijn eind jaren negentig verschenen boek ”The Myth of Rescue” legt de Amerikaans-Britse historicus William D. Rubinstein uit dat er voor het uitschakelen van de gaskamers een precisiebombardement nodig was. De geallieerden beschikten over enkele squadrons jachtbommenwerpers van het type De Havilland Mosquito die daarin waren gespecialiseerd. Met die toestellen konden echter geen precisieaanvallen worden uitgevoerd zoals dat nu gebeurt.

In het laatste oorlogsjaar, toen de toestellen de kampen konden bereiken, is overwogen bommentapijten neer te leggen waarbij de barakken zouden worden geraakt en er honderden of duizenden Joodse slachtoffers zouden vallen. Omdat een door de geallieerden aangericht bloedbad door de Duitsers voor propagandadoeleinden gebruikt zou kunnen worden, liet de Amerikaanse president Roosevelt het idee varen. Hij was mogelijk bang dat de beelden zijn herverkiezing in november 1944 in gevaar zouden brengen.

Wat ook een rol speelde om geen aanval op Auschwitz uit te voeren was de invasie. Militaire middelen werden niet tegen Auschwitz ingezet omdat ze in Engeland bij de voorbereidingen voor Normandië niet konden worden gemist.

In 1944 was dus een aanval op het concentratiekamp mogelijk, maar wilde men de middelen er niet voor inzetten. Het redden van de Joden was geen prioriteit, het winnen van de oorlog ging voor. Die oorlog moest zo snel mogelijk worden beëindigd. Alles was aan dat doel ondergeschikt. Het klinkt en het is ook hard, maar de dood van de Joden was „bijkomende schade”, zoals overlevenden van de Holocaust opmerkten in de Nederlandse documentaire ”Het spoor naar Auschwitz”, die twee weken geleden werd uitgezonden.

Krijgshistorici stellen dat een aanval op Auschwitz weinig zou hebben opgeleverd. Of zoals Roosevelt het zei: „Een aanval zal de Duitsers er niet van weerhouden de Joden te vermoorden. Alles wat de nazi’s zullen doen is het concentratiekamp een klein stuk verplaatsen.”

De Amerikaanse minister van Oorlog, Henry Stimson, zei het zo: „De effectiefste hulp voor de slachtoffers van de vervolging is een snelle overwinning op nazi-Duitsland.”

En toch. Een aanval op Auschwitz zou, volgens velen, goed zijn geweest, al was het alleen maar als morele daad. Het geluid van de exploderende bommen in Auschwitz zou tot op de dag van vandaag te horen zijn.

Stalin deed ook niets

Als iemand in de positie was om de Joden in Auschwitz (en de andere kampen) te helpen dan was het Stalin wel met zijn Rode Leger. Maar ook hij deed niets.

December 1943 stond het Rode Leger op 800 kilometer afstand van Auschwitz, geen onoverbrugbare afstand.

Bezaten de Russen wel de militaire middelen om Auschwitz te bestoken, omdat ze bij de strijd tegen de Duitsers zware verliezen leden? Algemeen wordt aangenomen dat er in het voorjaar van 1944 een effectief bombardement op Auschwitz mogelijk was.

Stalin had de middelen, maar wilde niet. Bij de Sovjetleider, wiens antisemitisme pas na de oorlog helemaal aan het licht kwam, had hulp aan de Joden geen prioriteit. Hij wilde zijn middelen inzetten om met alle macht Hitler en het fascisme te vernietigen, niet om Joden van de vernietiging te redden. Daarmee kwam hij overeen met Churchill en Roosevelt, die eveneens versplintering van de geallieerde slagkracht van de hand wezen.